DE TAFEL

‘Het antwoord blijft nee,’ zei Martine. ‘Tom is dood. Maar Tom was enig en uniek. Je weet wat hij voor mij betekende en wat hij allemaal voor me deed. En de meubelen die hij maakte. De tafel, de kastjes, de blanke eik! En al die kleine dingen. En zijn liefde, zijn zachtheid! Hoe zou ik kunnen doen wat jij vraagt? Meegaan? Waarom? Ik hield van hem, ik hou van hem. Ik heb mijn herinneringen, ik heb dit huis en de tuin, ik heb de buren, ik heb enkele vrienden en vooral, ik heb de kinderen. Heb je gezien hoe sterk Pieter op Tom lijkt? Hoe zou ik het kunnen? Niet dus. Het antwoord blijft nee.’

JA, NEE, DAG.

Danny speelde met het luciferdoosje.
‘Danny?’ vroeg Nathalie.
Hij keek haar een seconde aan, liet dan het luciferdoosje verticaal balanceren bovenop zijn tot vuist gebalde hand.
‘Danny, je moet meer buitenkomen.’
Danny duwde zijn vuist met kracht naar omhoog, het luciferdoosje hopte de lucht in, Danny ving het snel weer op en knelde het bijna stuk, tussen de palm van zijn hand en zijn vingers.
‘Bikkelen lijkt me wel wat,’ zei hij. ‘Verkopen ze bikkels in die grote speelgoedwinkel aan de A12? Dan koop ik me een setje en kan ik buiten bikkelen. Dat is voldoende.’
‘Danny, ik bedoelde dat je meer onder de mensen moet komen. Er zijn film- en praatavonden. Er zijn fietsnamiddagen.’
Danny keek naar buiten. ‘Het regent, Nathalie.’
‘Ja, Danny. Dat weet ik. Maar het is lente. Jij hebt toch een goeie fiets?’
‘Nathalie, dat is vriendelijk, maar ik blijf liever thuis, om te bikkelen.’
‘Danny, je hebt gezelschap nodig, je zit hier maar te zitten, je vereenzaamt.’
‘Nathalie, je bent heel vriendelijk, maar ik wil bikkelen. Dank je, Nathalie. Dag Nathalie. Je kent de weg naar buiten hé Nathalie.’
‘Danny! Ik bedoel het zo goed! Je hoeft me niet buiten te gooien!’
‘Ja Nathalie, nee Nathalie, dag Nathalie, je mag nog eens binnenspringen, volgende maand of zo, eerder niet, dag Nathalie.’

KLOKVAST

Twee uur ze zeggen dat ze zich moeten haasten Vier uur ze lopen dat het een lieve lust is Zes uur ze zeggen oef, dat ze morgen!

Drie uur en hop! in de sneeuw en de latten glijden of Vier uur en hop! in de zee en de golven golven en ‘s avonds

Zes uur ze moeten stilaan terug vertrekken Acht uur de eerste tranen van het te vroeg gedane Tien uur de auto brengt hen in een te late file Twaalf uur ze zijn nog lang niet ter plaatse.

Zeven uur de wekker ratelt en ze zijn wakker Acht uur hoog tijd en de auto davert Tien uur de keel maar de koffie borrelt Twaalf uur de maag maar de sandwich botert dan Twee uur, bijna, maar de printer hapert.

Zeven uur de wekker ratelt en ze zijn wakker Acht uur hoog tijd en de auto davert Tien uur de keel maar de koffie borrelt Twaalf uur de maag maar de sandwich botert dan Twee uur, bijna, maar de printer hapert, hij hapert.

NUL KOMMA NUL

‘Maar ik heb je zo veel gegeven! Al die kleren! Schoenen! Twee museumabonnementen! Dat mooie kastje! Die prachtige mantel! Onze reizen, onze citytrips! Besef jij wel hoeveel dat allemaal gekost heeft?’

Inge huilde. Hij kon dat niet zien, en ze was niet van plan om er iets van te laten merken. Ze slikte de tranen weg.

‘Nu zeg je niks meer he, meiske! Wie denk je wel dat je bent! Je hebt van me geprofiteerd! Ik heb zo veel in jou geïnvesteerd!’

Inge kon terug gewoon praten.
‘Geïnvesteerd?’ vroeg ze.

‘Ja, je hebt me goed verstaan! Geïnvesteerd! En wat heeft het me opgebracht? Niks. Nul komma nul nul procent! Ik lijd zelfs verlies! Al die geschenken! En die nieuwe telefoon! Wat zei ik? Dik verlies lijd ik! Ik wou dat ik je nooit gekend had! Jij was een domme investering!’

‘Zo had ik het nog niet bekeken,’ piepte Inge.

‘Nee, zo slim ben je niet hé, kieke. Daar had je niet over nagedacht hé! Maar ik wel! Dik verlies, ja.’

Inge hield haar telefoon nu wat steviger vast. ‘Een snijplank zou beter geweest zijn,’ zei ze.

‘Wàt zeg je?’

‘Een snijplank.’ Ze articuleerde zorgvuldig.

Het bleef stil aan de andere kant van de lijn. Inge hoorde zijn ademhaling, maar hij zei niks.

‘Zo’n houten,’ zei ze. Ze hikte. Ze moest lachen en huilen tegelijkertijd, en dat leek op een grote hik.

‘Wàt zeg je?’ vroeg hij nog eens.

‘Zo’n grote mooie,’ zei ze. ‘Ze bestaan nu ook in bamboe. Ik denk dat ze vijftig euro kosten. Ze verkopen ze overal. Vijftig euro. Ik zag er een die over het aanrecht past. Dat zou een goeie investering zijn,’ zei ze. ‘Dan kun je groenten snijden.’ Inge was bang dat hij de lach in haar stem zou horen of dat ze niet meer zou kunnen stoppen met lachen. Ze hoorde niks aan de andere kant van de lijn.
‘Dàg Fred,’ zei ze.

MET HET LICHT ZAL NIETS GEBEUREN, ZEI MEN

Het licht stond te koop.
Al snel vond men de ideale koper. Hij was meer dan solvabel en men had het volste vertrouwen in zijn managementcapaciteiten. Het contract en de details van de verkoop waren snel rond. Het licht werd verkocht en het zou voor de komende decennia in goeie handen blijven.

Een journalist kreeg lucht van de verkoop en zette het bericht online. Alle kranten en mediakanalen namen het over.
De mensen waren bang.
Het licht? Het licht verkocht? Hoe kan dat? Wat nu? vroegen ze.
Ze werden gerustgesteld.
Met het licht zal niets gebeuren, zei men. Het blijft waar het is, het kan niet verdwijnen.

Amper drie maanden later besliste de eigenaar om het licht op de beurs te gooien. De beursgang werd een groot succes. De koersen stegen dadelijk en onafgebroken.

De gewone mensen houden nu alle economisch nieuws in verband met het licht in de gaten, maar weten niet wat ze er mee aan moeten of wat ze moeten geloven. Sommigen vroegen onbeperkt inzage en inspraak in alles wat met het licht kan gebeuren en in alle transacties. Maar dat kan niet, zei men, en men benadrukte nogmaals dat het licht in goeie handen zou blijven.

EN HET WITLOOF MOCHT WAT LANGER

Het is dat de tomatensoep / Het is dat de economie / Het is dat al die doden / Maar zet je aan de rand van het bos en kijk

Maar goed, het is niet erg, volgend jaar zullen we de pompoenen / vooral over de bitcoin / en die vent blijft maar mensen weigeren / en er zijn ook fazanten

En misschien een loterij voor de pakjes / maar natuurlijk ook over de Nasdaq, en zo / en de andere minister kent de waarde van honderd euro niet, zelfs niet van tien / en ijskristallen, zoals we ze noemden

En het witloof mocht wat langer stoven / en over de sterkte van China en over de vervuiling, / hun afstand tot de echte mens is onoverbrugbaar / en je kunt blijven kijken en kijken

En een aparte hoek voor de kinderen, met of zonder televisie / over de investeringen van Zuckerberg en over zijn ganse maand vakantie / want ze praten over de aandelen die ze het vorige jaar kochten, verkochten / en het meer

Goh, god, zegden ze, kijk toch eens, net of het is zomer, zegden ze / en over startups en dat kleine Belgische bedrijfje / maar ze vergeten dat in de kampen, en achter de hekken / en het eiland, in datzelfde meer.

GROOT – WAYPOINT

En de kubus is geen kubus meer, want hij barstte open en is nu oneindig. Ook de zijden zijn oneindig.

ZEI HIJ, VROEG HIJ

Maar hij was gehaast, zei hij, hij moest immers nog langs de boomgaard en het was al halfzes. Maar morgen wil ik je terugzien, kan dat? vroeg hij, en hij raakte bijna haar wang aan.
Ze knikte. Meer dan dat kon ze niet, ze had een krop in haar keel en ze voelde de tranen prikken.

Morgen? Misschien. Ze was nog niet zeker. Ze zou hem een bericht sturen. Of niet. Gewoon zwijgen? Maar ze voelde zijn ogen nog branden in de hare, ze zag nog zijn glimlach, zijn blijdschap.

Ik ga, ik ga niet, ik ga, ik ga niet, twijfelde ze. Ze ging. Hij stond haar op te wachten. Je bent mooi, zei hij. Dank je, antwoordde ze. Daar stonden ze dan, onhandig, verlegen.

Hoe gaat het met je ouders? En met je broer? Maar vooral, hoe gaat het met jou? Woon je terug in de Dorpsstraat? Nee? In een appartementje, zeg je? In de Holle Eikstraat? Ja, daar is het mooi, zei hij.
Ze luisterde luisterde en liet zijn stem diep in zich doordringen.

Ik heb vaak aan je gedacht, zei hij. Die dag van het licht, weet je nog, toen, aan de Oosterschelde? Iedereen zat binnen en ik zag jou op het gras aan de uitgang van de haven, je keek naar de zeilboten. De zon en de wind speelden hun spel met je haren, ik kwam tot bij jou gelopen, weet je dat nog? Ik was buiten adem.

Ze knikte. Ik weet het nog, zei ze, we waren met meer dan twintig.
Ja maar jij stond daar alleen, en ik zag jou en je haren en de wind en het licht, zei hij.
Ja, zei zij.

Je bent niets veranderd, zei hij.
Jawel, zei zij. Ik ben vijf jaar ouder.
En mooier, zei hij. Nog mooier. Weer raakte hij bijna haar wang aan.

Waarom ben je teruggekomen? Vroeg hij.
Goh, zei zij. Ik veranderde van werk en ik dacht misschien kan ik dat appartementje
En nu ben je terug, zei hij. Voor altijd? vroeg hij.
Tja, zei zij, wie weet.

Mag ik? vroeg hij.
Ze liet zijn stem in haar doordringen, slikte de krop in haar keel weg, knikte, liet toe dat hij zijn hand op haar wang, over haar haren, haar hoofd tegen zijn schouder, ze voelde zijn longen, zijn adem, zijn wachten.

ZE VOELDE

Mag ik? vroeg hij.
Ze liet zijn stem in haar doordringen, slikte de krop in haar keel weg, knikte, liet toe dat hij zijn hand op haar wang, over haar haren, haar hoofd tegen zijn schouder, ze voelde zijn longen, zijn adem, zijn wachten.

9/9

MISSCHIEN

Waarom ben je teruggekomen? Vroeg hij.
Goh, zei zij. Ik veranderde van werk en ik dacht misschien kan ik dat appartementje
En nu ben je terug, zei hij. Voor altijd? vroeg hij.
Tja, zei zij, wie weet.

8/9