En wat als het water? Wat als de oceanen, de zeeën, de orka’s, de dolfijnen, de vissen, het plankton? Het zeewier? De riffen?
Wat als de bossen? De bomen, de struiken, de velden, de planten? Ons groener dan groene gras? De paardenbloemenpluizen?
En wat als de dieren? De olifanten, de leeuwen, de nijlpaarden, de zebra’s? De koeien en paarden? De varkens? De honden en katten? De bijen en kevers? De vlinders? De mieren?
Of de vogels? De arenden en gieren? De meeuwen en ganzen? De merels? De mussen? De roodborstjes, de vinken, zelfs de papegaaien?
En wat als de mens? Ons lichaam? Ons hart, onze longen? Onze handen en voeten? Onze ogen? Onze adem, ons bloed?
Of. Deze aardbol? Onze aarde? Wat als onze aarde? Haar stromen, haar stormen, haar bergen en vulkanen, haar bergen en vlaktes? Haar levens en leven? Het onze?
ONVRUCHTBAAR
ZUIVER
en hij is zuiver, zuiver
als het reinste water, als het puurste goud. Als
paardenbloemenpluizen –
wist je dat die tot in China vliegen? Als ze willen?
Als
jonge vogels – weet je hoe ze zijn? Zag je hen al bezig?
Als
Eenvoud, onbezoedeld. En als de sterren van
Whitman –
wist je dat hij nog veel verder kon vliegen? Kijken?
Tot voorbij alle grenzen?
Alsof ze niet eens
getekend werden, nooit, door niemand?
Witter dan wit, is hij. Bijna onzichtbaar, zo fragiel
lijkend en
eeuwen en eeuwigheid, alles. Altijd, o zo overal en
nergens.
ZONDER WOORDEN

DE DAGEN
Hij scrolt met de muis. Hij typt iets. Scrolt wat. Klikt. Klikt. Bekijkt een filmpje en glimlacht. Bekijkt enkele foto’s en klikt. Typt een woord of drie, aarzelt, typt. Scrolt.
Hij smeert drie boterhammen, eet, kijkt ondertussen naar het journaal, neemt zijn telefoon. Niets. Eet. Sportverslagen nu. Ze kennen Niels Albert nog. Anderlecht heeft verloren, ja, dat wist hij al. Hij ruimt de tafel af.
Hij kijkt wat televisie, loopt af en toe eens naar zijn computer, scrolt, kijkt, klikt, scrolt. Niet veel later gaat hij slapen. Hij kijkt nog even op zijn telefoon. Niets. O ja, toch wel, een lief berichtje van zijn dochter. Hij antwoordt met een smiley, zij stuurt hem drie rode hartjes terug. Voordat hij het licht uitdoet kijkt hij naar het hoofdkussen naast het zijne. Hij klemt de lippen opeen en fronst. Knipt het licht uit. Staart even in het donker. Draait zich op zijn zij en valt niet veel later in slaap.
IJVERIG (ZOALS IN ‘NOEST’)
Hij graaft en graaft en graaft en graaft en graaft, graaft en graaft nog dieper, en graaft en graaft
(‘Ai, weer een betonlaag, verdorie, en wat zal het straks weeral zijn?’)
En hij neemt zijn drilboor en drilt en drilt, drilt, drilt en drilt en graaft, graaft, graaft en graaft
(‘Ik word er gek van,’ zegt hij. ‘Ik vind het einde niet, ik moet en ik zal, ik wil dat echt vinden, liefst dit jaar nog, drives me mad maar ik moet en ik moet.’)
En graaft en graaft en drilt en drilt
(‘Ai, een rotslaag, verdorie, weer een, ik moet erdoor, weer eens.’)
En doet voort, eeuwig.
HET ENIGE ECHTE ALFABET V.93.06
De a zegt dat ze a is maar wordt plots een worm en lacht.
De b roept dat ze de enige echte b is maar ze keert ons de rug toe en kleedt zich uit.
De c strooit wat zand in onze ogen.
De d zegt dat we zoals zijzelf moeten doen alsof we het beter weten.
De e knipoogt.
De f is eerlijk en zegt dat ze altijd een masker draagt.
De g doet alsof ze ons niet gehoord heeft.
De h is de beste verkoopster.
De i zegt ‘nee, dat ben ik.’
De j vraagt of er gecontroleerd wordt aan de grensovergang.
De k is een luchtbel.
De l heeft de cijfers gemanipuleerd maar zou rood moeten zijn.
De m zegt dat ze zich niet fit genoeg voelt, nooit.
De n werd een slang, ik heb het zelf gezien.
De o is geen o maar een valse nul.
De p sluit de ogen en denkt dat wij niet weten dat zij ons nog kan zien.
De q verstopt zich de hele tijd achter de kast.
De r liegt en beseft niet dat ze zwart ziet.
De s is een valstrik.
De t een beerput.
De u een valse wand.
De v verstopt haar gezicht achter haar donkere manen.
De w houdt zich altijd op de vlakte en waait mee met eender welke wind.
De x doet alsof ze het noorden kwijt is maar weet altijd alles beter.
De y idem want zij gooide haar kompas in de vaart.
De z is een labyrint zonder uitgang.
EN DE TEMPERATUUR BLIJFT STABIEL
Ja ik loop op de rand en of dat veilig is weet ik niet zeker maar ik ben er gerust in. Links zie ik de donder en de bliksem en de hagelinslag en rechts zie ik het groene en het blauwe en daar ben ik Alice in Wonderland. Het is nu eenmaal zo en er komen soms wat beren en hagedissen aan te pas maar van vampiers is al een tijd geen sprake meer, die heb ik kunnen wegjagen en blijkbaar voorgoed.
De rand, jaja, maar geen enkele afgrond. Hier en daar een veilige grot, ik hou me bezig met muurtekeningen. Ik heb enkele hardstalen nagels meegebracht en ik kras en kras, een beitel zou ook handig zijn, dat moet ik onthouden. En een andere ketting en tandwielen van verschillende steek, dan kan ik de snelheden van de tijd en van het licht en het donker aanpassen.
GANSE BOSSEN
Mijnheer Macharis, ik heb u gemist. Ik had het te druk. Maar vanmiddag zag ik een volledige regenboog, pal voor mij, en daardoor dacht ik aan u.
Ja, ik weet het.
Nee.
O, absoluut.
Binnenkort weer iedere dag, hoop ik.
Nee. Waanzin. Grootheidswaanzin, ook. Moto’s, auto’s, bestelwagens. Bestelbonnen. FSMA-dingen.
Ja, dat zei ik, FSMA.
Och. Er was ook het zwichtende zwart, hahaha. Die twee woorden hangen nog steeds in mijn hoofd. Zwichtend zwart. Het licht op het zwart. Door het zwarte het licht. Soulages. Het mooie van zijn werk. Ja, dat was een fijne dag.
En er waren kleurrijke kanttekeningen. Strohalmen. Goede seconden. Adembenemingen. Vreemd, Word keurt dat woord goed. Adembenemingen, adem.
Diepe zucht. Nee, niet vergeten te ademen, ademen. Mijn bloeddruk laag houden, hahaha. Mijn spierscheur laten rusten.
Ja.
Och. Misschien moet ik, naast de prent van de strohalm, ook een foto van het werk van Pierre Soulages naast mij hangen. Vlakbij mijn werk-werk. Misschien moet ik dat ganse stuk muur bekleden met kleine briefkaarten met bijzondere werken van allerlei kunstenaars. Zal ik ze verzamelen?
Toch maar niet.
Ja.
Ja en ja.
Ja, koppig. Ik zeg nog steeds dat het moet.
Ook ja. Het toont me de mensen. Het toont. Het toont.
LILY, LILY
We slapen.
Alles slaapt.
Wij, iedereen, alles. De ganse aardbol. De dieren, de zeeën, de seizoenen.
Stil, stilte, overal. Geen mens, geen dier,
geen plant, geen adem.
Tot plots, ergens, elders, ver, in het oosten: een donderslag, een bliksemschicht.
Tot plots, onverwacht, hier bij mij, in de stilte, dreunend: een lichtgroene scheut met, weinig later, groenblauwe blaadjes,
een nieuwe bloem, Lily.
(en het ‘hier bij mij’ is wel degelijk ‘hier bij mij’ en de spaties staan waar ze moeten staan.)