De drie mannen in zwarte pakken uit Naar het einde komen uit een nog ongeschreven andere tekst over (tja) drie mannen in zwarte pakken die aanbelden.
‘Eliane, kom mee,’ zeiden ze.
‘Oei dan moet ik me eerst even omkleden,’ zei ik, en haastte me naar de badkamer.
Wat ik aantrok? Dat weet ik nog niet.
Ik volgde hun uitnodigend gebaar en stapte in de limousine.
‘Nee, dank u, geen champagne. Wat water zou fijn zijn.’
Waar we naartoe reden weet ik ook nog niet.
De rit was niet lang.
Naar de andere kant van de gemeente? Of naar de dorpskern? Naar een zonnig terras? Ik zou het nog niet kunnen zeggen.
Wat ik u wél kan vertellen: het waren vriendelijke mannen, met gevoel voor humor. Of ze zelf champagne of water of iets anders dronken? Ik heb nog geen idee. Hoelang de rit duurde, weet ik ook nog niet. Iets zegt me dat ze me terug naar huis brachten. Een paar uur later, denk ik. Het was nog licht buiten. Geen regen, geen mist, geen kou. Alles helder.
Meer kan ik u helaas niet vertellen. Of misschien zou ik wél kunnen doorgaan. Maar ik doe het niet.
Ik ben terug in de limo, drink een slok water, stap uit, groet hen, ga naar binnen en kleed me weer om. Waar zette ik mijn sandalen?
Categorie: Uncategorized
NAAR HET EINDE
Ik zei: “Het is een rommeltje.”
De giraf antwoordde dat ze het daar absoluut mee eens was, maar dat ik het moest begrijpen.
“Jaja, begrip,” zei ik, en ik bleef op de autobus zitten tot de volgende halte.
Daar zag ik drie leguanen.
Een grote, rode tomaat vond het niet veilig en bleef me vastberaden volgen. Een Coeur de Boeuf, maar minstens drie maten groter.
“We kunnen het ook vieren,” zei ik, maar de drie mannen in zwarte pakken raadden dat af.
“Er zijn te veel details,” zeiden ze, “en de grootste mensen kunnen niet door de beugel.”
“Jaja, de beugels,” zei ik, “daar moeten we inderdaad rekening mee houden.”
Ik liet het paard los.
De grote, rode tomaat vervormde tot een blauwe katoenen draad. Daarmee snoerde ze zichzelf de mond, en alle sappen werden opgeslorpt door de omstaanders.
“Geen nood!” riep ze.
De drie mannen in zwarte pakken deden een vreugdedans, maakten een selfie en hingen die op aan de zuidelijke gevel van het hoogste gebouw, vlak bij het Brusselse Noordstation—een van die gebouwen met altijd blinkende ramen.
Iemand leunde voorover.
De giraf maakte zich nu echt kwaad en dreigde met vergroening.
Alles en iedereen volgde.
Het bos aan de rand van de stad nam dat kwalijk. Het veranderde in een blauwalgenmeer en kreeg hulp van maar liefst zeven collega’s van het paard uit de tweede paragraaf.
“Niks aan te doen, ik sluit de rangen,” riep het verdwenen bos.
De man bij het Noordstation nam een sleeptouw en probeerde een lassoworp.
Vier krekels antwoordden met een enorme lachbui.
“We hangen het uit!” hikten ze, geel van plezier.
“Het moet zo!” riep de giraf. Ze stampte met haar voorpoten.
Ik vond het allemaal maar niks en zocht een grote vrachtwagen. Die wilde niet starten, wilde niet starten, startte.
Twee maanden later aten de poezen enkel nog uit het middelste bakje.
Ze werden bemoederd door de neushoorns.
De spiegelramen lieten de naaldbomen zien, als een filter.
De zon en de maan bleven staan waar ze stonden.
Dat was HET EINDE, HET EINDE, EINDE.
OF MET POTLOOD, OF MET HOUTSKOOL

Jaren geleden
wandelde meneer 4.8 helemaal van hier
tot in het centrum van Parijs.
Op iedere wegel, iedere bosweg
iedere hoek van iedere straat
maakte hij
een schets
een tekening
een schilderij.
Nu, zoveel jaar later
bladert hij
bladert hij
kijkt hij
ziet hij
alweer
en nog steeds
de wegels, de straten
de huizen, de mensen
de kleuren
de lucht
en het licht.
(Met dank aan Sabine!)
XXKORT – 12
Hij rende en rende en rende, stopte vele maanden lang niet, zelfs niet om te eten of te drinken – laat staan om te slapen.
COMFORT

(Foto van Leen)
De geur van versgemaaid gras
(de boeren maaiden hun grasweiden)
Een foto van een zonnebloemenveld
(geel, groen, zwart, blauw, wit)
Het avondlicht op de toppen van de bomen van ‘ons’ bos
(donkerblauwig donkergroenig grijzig. Het is van ons, het is niet van ons)
De deugddoende zucht
(in, uit, in, uit, in, uit, uit)
Onderweg: de kleuren van de bloemenperken
(fuchsia, roze, geel, oranje, rood, grijsgroen, oker, purper)
The comfort of colours
(of music, of strangers, of books – Beth Orthon, Ian McEwan, etc., etc.)
De stilte
(de stilte)
@WORK
Ons hoogseizoen duurt lang.
Het begon erg vroeg en het zal ook dit jaar weer lang duren.
Maanden en maanden, tot over de nok gevuld met jonge en oudere mannen – vrouwen blijven in de minderheid in onze sector.
Velen komen binnen, geven de sleutel van hun moto af, maken nog een bijkomende opmerking, vragen of ik iets laat weten als hun tweewieler klaar is.
Velen blijven eenvoudig zakelijk, anderen zeggen ‘Schatje’ of ‘Suske’ of zeggen ‘Ge ziet er moe uit’ of ‘Ge ziet er goed uit’.
Velen komen binnen, kijken even rond of wachten hun beurt af, zeggen dan ‘Ik kom een moto bestellen.’
Onze moto’s zijn broodjes.
Soms zijn er korte gesprekken. Dagelijks. Over hun moto, over alles in de levens, of in de gemeente, of in ons land of in onze wereld. Zin en onzin. Grote en kleine gelukken en ongelukken.
Soms zijn de klanten vrouwen. Jong, maar ook minder jong. En zoals bij de mannen: alle pluimages.
Volgens mij zijn onze klanten stuk voor stuk goede mensen. Ze zijn vriendelijk. Ze komen binnen met een glimlach.
Het is hard werken. Het is ervoor zorgen dat alles in de juiste banen blijft lopen en dat iedere klant en iedere moto correct bejegend en behandeld wordt.
Het is me een eer en een genoegen.
GEEN
Hij slikt zijn woorden
zegt Ik wil vandaag
en lacht
hij rommelt wat en wast
gaat dan de tuin in
ziet
Hij weet dat straks de buurman
wacht even
en nog
de buurman gooit
roept hoi
en toont de eerste
Ze kijken
zuchten, kreunen,
knikken
zeggen dat het gras nog groener
en dat gisteren
maar dat het weer
De buurman vraagt of
en herhaalt
die jonge notelaar
gelukkig maar, de storm
Oké, maar nu moet ik echt snel
Ik wil, ik zal vandaag
WIT
ik leg de rozen een voor een
ik leg de rozen
een voor een
mijn hoofd
mijn hart
ik leg de rozen
ik leg de rozen
ik leg de rozen een voor een
voor een
een roos
een roos
VEEL GROTER
IK KRAB EENS AAN MIJN ELLEBOOG
IK WRIJF ME IN DE OGEN
HAAL DIEP ADEM, DENK IK
IN
UIT
IN
UIT
IN
UIT
HET DOET ZEER, BLIJF IK DENKEN
DIT IS EEN WONDE TER HOOGTE VAN MIJN HART EN DIE IS ZO GROOT ALS EEN WALNOOT,
ROEP IK
HUIL IK
NIEMAND HOORT ME
IK ZOEK IETS MOOIS
IK KIJK EN IK LUISTER
EN ZIE HET WIEGEN VAN DE BOMEN
DIE ENE BOOM – DIE IN HET MIDDEN, HIJ IS WAT GROENER DAN DE ANDERE –
ZEGT DAT HIJ KAN BUIGEN, BUIGEN, MAAR NIET BARSTEN
IK HEB STERKE VEZELS, ZEGT HIJ
EN IK HEB WONDEN EN GATEN VEEL GROTER DAN WALNOTEN.
MEE MET DE WIND, MEE MET DE STORMGOLVEN
IK WIEG EN BEWEEG EN MORGEN SCHIJNT DE ZON
OF OVERMORGEN.
EN DAT
Hij slikt zijn woorden
Zegt ik wil vandaag
En lacht zijn tanden
Hij rommelt wat en wast
gaat dan de tuin
ziet
Hij weet dat straks de buurman
Hij wacht even, en
en nog
De buurman gooit
en hij roept hoi
en toont de eerste
Ze kijken naar
en zuchten, kreunen
knikken
Zeggen dat het gras nog
en gisteren
maar dat het weer
De buurman vraagt of
en herhaalt
en dat die jonge notelaar
Gelukkig maar, de storm van
Oké, maar nu moet ik echt snel
Ik wil, ik zal vandaag