BLAUWIG

Ik vroeg het aan meneer Macharis.
Die zei dat Kalmte me zou Redden.
‘Jaja,’ zei ik en ik haalde anderhalve keer diep adem.
Even later viel mijn blik op de bomen en daar was het weer; die bijzondere kleur van het avondlicht.
Zo belandde ik bij Whitman en zijn Astronomer-gedicht.
Op slag was de Walt daar zelf om te benadrukken dat het geen gedicht is.
‘Het is een gedachte,’ zei hij. ‘Het zijn gewoon maar wat zinnen, een eenvoudige txt,’ zei hij.
Ik vond het tof dat hij het over ‘een txt’ had, net zoals ik vaak durf. Want afkorten, daar is lef voor nodig.
‘Het is als de olifant in de porseleinkast,’ zei ik.
Hij vond me grappig.
Ik vond hém grappig.
‘Gedicht gedacht,’ zei ik.
We lagen strijk.
‘Ik moet voortmaken,’ zei hij even later.
Ik richtte mijn blik dan maar weer op dat licht.

(Meneer Macharis was ondertussen vertrokken. Die komt en die gaat.)

ZUIVER

en hij is zuiver, zuiver

als het reinste water, als het puurste goud. Als

paardenbloemenpluizen –

wist je dat die tot in China vliegen? Als ze willen?

Als

jonge vogels – weet je hoe ze zijn? Zag je hen al bezig?

 

Als

Eenvoud, onbezoedeld. En als de sterren van

Whitman

wist je dat hij nog veel verder kon vliegen? Kijken?

Tot voorbij alle grenzen?

Alsof ze niet eens

getekend werden, nooit, door niemand?

 

Witter dan wit, is hij. Bijna onzichtbaar, zo fragiel

lijkend en

eeuwen en eeuwigheid, alles. Altijd, o zo overal en

nergens.

STERREN ZEGT DE ENE

leaves of grass
25.
Zegt de ene vogel tegen de andere
of grashalmen tellen

When I Heard the Learn’d Astronomer
By Walt Whitman
When I heard the learn’d astronomer,
When the proofs, the figures, were ranged in columns before me,
When I was shown the charts and diagrams, to add, divide, and measure them,
When I sitting heard the astronomer where he lectured with much applause in the lecture-room,
How soon unaccountable I became tired and sick,
Till rising and gliding out I wander’d off by myself,
In the mystical moist night-air, and from time to time,
Look’d up in perfect silence at the stars.

Afb.: via mentalfloss.com
(maar geen enkele afbeelding was geschikt voor dit)

MIJN NAAM IS NEO

10948790944_ff697d3e47_c
(foto : Donna Kuhn)

Jef zegt dat er in den beginne helemaal niks was, vooral geen Fukushima en dat hij nog nooit eerder iets over die stad gehoord had, laat staan over Tepco.
Jef zegt dat hij het allemaal niet begrijpt, van het splijten en van de containers en van de opslag en van het gevaar.
Maar, zegt hij, er is iets met de besmetting van het water en van de lucht en er is wat met kankers die we allemaal hebben en zullen –
Er waren al zo veel duizenden bommen en proeven en baf ontploffingen en we leven toch ook nog, zei een expert, zegt Jef.
(Een nuchter iemand, verstopt in de coulissen maar altijd aanwezig, zegt: ‘Ja, vandaar, we hebben allemaal kanker’) (herhaling)

Jef zegt dat er in den beginne helemaal niks was, geen drukte in de straten maar ook geen mannen met een M-manie om bommenwerpende ruzie te maken
– en vrouwen.
En dat er geen zelfontploffers

en geen duizenden tonnen vet in de riolen
en geen instortende sportstadia
en geen misrekende bruggen
en geen valse dokters
en geen euro’s en dollars

(een andere stem, ook uit de coulissen, zegt: ‘Maar alvorens ik u begin te vervelen’)

Er woedt een Kerstmissfeer.
Er woedt een nieuwe mode: de kerstbomen werden gehalveerd.
En nieuwe materialen – zijdezacht, en wee, van kleur.

Terwijl de solden van Rimbaud
en een wijnrank van Pavese
Terwijl de kracht van Whitman
en een tekening van Blake

– sta ik hier, Neo. Ik ben de Baas van de Stadions
er woedt het voetbal
en veel mensen

Ik ben vooral: de Baas van Vrede
en baad mijn handen, sprankel water over al die godverdomse hoofden

wijs hen op nog groter en nog meer gejoel, op deze aarde
maan hen, ‘rustig, rustig’
maan hen, in een poging