$

Het is dat
ik niet weet, wij niet weten, zij niet weten wat
morgen, overmorgen, volgende week

Het is dat
zij menen te weten
zij de waarheid in pacht
zij altijd beter weten

Het is dat
zij vinden dat hier en daar
een bommetje, een kogeltje
– letterlijk, figuurlijk

en dat een aanval of tien
of honderd of duizend
– letterlijk, figuurlijk

en dat de mens, de mensen, de massa
juicht, nog meer juicht, applaudisseert
tot staande ovatie

Het is dat
ik niet weet, wij niet weten, zij niet weten wie
blind
dom

of macht
of naam
of roem
of enkele dollars

MET DE HAND

De rechterarm afgerukt, de linker grotendeels gevild. Enkel de linkerhand is intact.
Ze zit in de sofa, zucht, haalt de schouders op – toch.
Iemand vraagt haar of ze niet al te veel last heeft van de kwetsuren.
Ze antwoordt niet en zucht nog eens.
Ze staat op, loopt naar buiten, verwijdert met haar linkerhand enkele uitgebloeide margrieten, gooit ze in de groene mand, ademt diep in en uit, kijkt naar de hoge bomen van het nabijgelegen bos, weert met haar hand het licht.

Vijf minuten later staat ze terug aan de deur, ze kijkt nog eens om naar de bomen, gaat de keuken in en zet een glas onder de kraan. Ze draait de kraan open, vult het glas, morst wat, neemt de vaatdoek, veegt de druppels op het aanrecht weg, wrijft de onderkant van het glas even over de vaatdoek.
‘Zie je wel? Ik trek mijn plan,’ zegt ze.
Ze recht de schouders – toch – en gaat terug naar buiten, richting de oleanders. Ze verwijdert ieder geel blad.
‘Ze kregen de voorbije weken te weinig water maar ze redden het wel,’ zegt ze.

VIJF OF ZES

Ik weet sinds lang dat t
wee plus t
wee vier is maar soms h
apert mijn toetsenbord en i
s twee plus twe
e vijf.

Ik d
acht Ik neem mijn toet
senbord even onder handen en ik prob
eerde het te he
rstellen, zeker vier keer maa
r het is niet gelukt.

Dan heb ik maar een professionele hers
teller gebeld en d
ie bekeek het, haalde het hel
emaal uit elkaar en heef
t het gete
st.

Mevrouw, zei hij. M
isschien moet u zich er ma
ar b
ij neerleggen dat het niet altijd lijkt t
e klo
ppen en dat twee pl
us twee som
s simpelweg v
ijf of zelfs ze
s is.

LEVEN (2/2)

Het leven zou vederlicht moeten zijn.

Helaas, enkele zwaargewichten beslisten, beslissen
om met hun breder dan brede schouders en
met hun groter dan grote kragen
te veel GEWICHT in de schaal te leggen

en de schaal
BRAK, BREEKT

want werd, wordt met
BOMMEN
geladen
en met GEWEREN
en zo voort, voort.

Zo werd en wordt het leven aanzienlijk minder
vederlicht
en zagen en zien we te veel
TRANEN
en mensen die andere mensen moeten missen
EEUWIG

en die geen huis meer

of geen dorp

of geen stad

of geen water en voedsel en kleding

zelfs geen teenslippers

zelfs geen ledematen



Ja, het leven zou
VEDERLICHT
moeten, moeten

maar sommigen groten der aarde
gooiden en gooien tonnen
KASSEISTENEN – lukraak, alsof het niks is –
en die kasseistenen hebben LONTEN

of die groten der aarde
goten of gieten
GLOEIENDheet
LOOD
op wat vederlicht was
of had kunnen



‘HELAAS’ zegden en zeggen die groten
‘HELAAS en HELAAS,’
‘Vederlicht kan niet, ik zal en ik wil het niet toelaten,’ zegden ze, zeggen ze

En ze knoopten en knopen hun das
En stonden en staan zelfzeker voor de spiegel en voor ’s werelds cameraploegen
En rechten en breden nog steeds en hoe langer hoe meer
en hoe liever en overtuigder
de schouders
en zo voort, voort



(sic, sic en sic)

Illustratie: Heidi S. Met dank.

OF NIKS

Ik leg me neer en
doe mijn ogen dicht,
blijf stil
en luister.
Ik hoor           niks.

Maar dan toch, plots,
een kinderlach
en stemmen van een vrouw, een man
en dan weer          niks.
Of toch?

Getsjirp van merels, mussen,
af en toe de vrolijkheid
van zwaluwen
en
nu en dan het ruisen van de bladeren

en dan weer
               niks.
Of toch?
Of niks?
Of toch?

De zwaluwen,
een duif of twee,
de zwaluwen – hun vrolijkheid.

Ik lig.
Ik houd mijn ogen dicht
en luister,

hoor weer even           niks.
Of toch?

LICHT

Hij wist dat licht licht was,
probeerde het volledig te grijpen
maar het ontsnapte
telkens,
schoot omhoog of omlaag,
het maakte zelfs een dubbele salto

en plots wist hij
‘Ik moet rustig blijven,’
sloot de ogen, draaide

langzaam

om zijn as, opende de ogen
en greep

Hij kon er mee spelen, jongleren,
liet het los,
ving het weer op, dicteerde het

helemaal zelf

om een dubbele salto te maken
of liet het

zelfs
even verdwijnen
om het dan lichter dan licht
weer naar voren te brengen

en te laten
springen
en botsen
en alles

Hij joeg ook de storm
en het onweer

vér weg

door te blazen
en nog eens
en voelde zich zelf

lichter dan licht
toen hij het licht
helemaal los liet,
kon laten.

JA, WAT, IN FEITE?

Het ruikt hier naar pas gemaaid gras
en de vliegen vliegen
de duiven
en de zwaluwen.

Het ruikt naar pas gemaaid gras
en een jonge man ziet een jonge vrouw
een jonge vrouw ziet een jonge man
en vijftien jaar later

hebben ze een huis, een tuin, twee kinderen,
ze werken, eten, slapen,
helpen met de rekensommen
en kijken televisie.

Het ruikt naar pas gemaaid gras
en tweeduizend kilometer verder
en vierduizend kilometer verder
zaait de mens

geweld, dood, verdriet,
kapotte huizen,
wezen,
kinderloze ouders.

Op sommige plekken ruikt het
naar pas gemaaid gras
en elders, de mens, zaait hij,
zaait hij wat?

VOL VEEL

Velden vol veel
gedichten

Lorca

Pavese

de jonge Hertmans

de immer jonge Rimbaud


Cummings



Hölderlin



Velden vol veel

veel

vaak anders


de zinnen
de woorden


Whitman



Carver

De tuimelingen van Borges

en van zijn vriend, Bioy Casares

en de uitvinding
en de tijd

of Rilke
of Handke


of, alweer, de jonge Hertmans

en Boon

en Elsschot

en, alweer, Pavese en de zon en het licht en het water en de velden en de warmte


en de vriendschap

en het leven



Velden vol veel

veel wereld

en meer


en nog

nog een wereld

mensen en huizen en dromen

veel



en rozen en doornen

SPREKEND

de kraaien roepen dat ze niet content zijn
of net wel?
ik kan het niet weten
ik kijk en ik luister
ze flapperen en kakelen van hier naar ginder.

de hond houdt de omgeving goed in de gaten
hij bewaakt me
of ligt hij te wachten op een van zijn kameraden?
ik kan het niet weten.
hij draait zijn kop en kijkt nu vooral naar het baantje.

en daar zijn de mussen
zij zijn content
zij zijn vrolijk
of is het hun alledaagsheid?
is hun gezang de normale gang van zaken?

het is zondagochtend
de mensen slapen, ze rusten, berusten
of dromen van betere, andere oorden
ik kan het niet weten
misschien dromen zij slechts van het mindere moeten?