TIEN MUSSEN

Ik had een gesprek met tien mussen. Ze zaten daar, plots, op het muurtje. Een van hen vroeg hoe het met mij ging, maar een andere mus (de uiterst rechtse) wachtte niet op een antwoord en zei dat hij (of zij?) vond dat de mens er maar een soepje van maakte.
“Ha ja, dat kan kloppen,” zei ik.

Alle tien mussen knikten bedachtzaam. Bevestigend bedachtzaam. De stilte bleef even hangen. Zelfs de tweede mus van links, die tot nu toe de hele tijd had zitten fluiten, zweeg.
De derde mus van rechts vroeg uiteindelijk of wij, de mensen, beseften dat dat soepje niet echt lekker is. Dat de maïs die erin zit een bijsmaakje heeft. Dat graankorrels eerder op rubberen keutels lijken. Dat broodkruimels na een paar minuten een vreemde kleur krijgen. En dat bladluizen urenlang kunnen blijven spartelen.

Ik keek die derde mus van rechts indringend in de ogen. Volgens mij was hij een ouder mannetje. Zijn stem klonk wat dieper en hij had een grote donkere vlek op zijn borststreek. Hij ratelde nog even door. Dat hij zich erg had verslikt in die soep.
“Gelukkig leef je nog,” zei ik.

Hij antwoordde dat de jeugd (ik dus) geen respect had. Dat ik hem niet mocht tutoyeren.
“Oeps,” dacht ik.

Zijn buurvrouw (ze leek een vrouwtje) zei dat hij niet moest zeuren. Ze begon een deuntje. Drie anderen vielen in, en dan nog drie. De tweede van links flapperde even met zijn linkervleugel en vertrok. De anderen volgden. Ze fladderden wat over de tuin; vier kozen voor de tuin van de buren en de zes resterende mussen namen een pauze op de achterste hoge tuinmuur.

Volgens mij was het weer diezelfde tweede van links die eerst nog eens met zijn linkervleugel flapperde en dan dadelijk vrolijk begon te fluiten.

ZWART OF ROOD

Hij: ‘Toch liever die rode.’
Zij: ‘Ik vind dat we te voet moeten gaan.’
Hij: ‘Of die zwarte met de open rug.’
Zij: ‘Ik ben benieuwd.’
Hij: ‘Morgen nemen we de voortuin onderhanden.’
Zij: ‘Zal Maya er zijn? Met haar nieuwe vriend?’
Hij: ‘Best beginnen met de hortensia’s. En dan de vijgenboom.’
Zij: ‘De rode.’
Hij: ‘Ik wil nog snel naar het tuincentrum.’
Zij: ‘Toch maar de zwarte.’
Hij: ‘Waar zijn mijn autosleutel?’
Zij: ‘En Annelies?’
Hij: ‘In jouw handtas. Waar is jouw handtas?’
Zij: ‘Ik vraag me echt af hoe het met haar gaat. Woont ze nog in dat appartement? En haar job?’
Hij: ‘Het kan ook morgen. Ze zijn ’s ochtends open.’
Zij: ‘Goh, die panty’s.’
Hij: ‘Oei, het is al kwart over.’
Zij: ‘Ik moet dit oplossen.’
Hij: ‘Ik zet de auto vooraan.’
Zij: ‘Maar we zouden toch te voet?’
Hij: ‘Gevonden.’
Zij: ‘Ja ja, ik kom. Vijf minuten.’

(testing; uitgelichte afbeelding, gegenereerd door WordPress AI – kan dienen als ‘achtergrond’ maar slaat toch de bal mis.)

SCROLLIN’

Ja, U.
U leest hier.
Welkom.
U leest vijf seconden, of tien, of vijftien. Dan klik klik en U bent weer weg. U leest elders, klikt, scrolt, scrolt, klikt, leest, klikt, scrolt, scrolt. Vele minuten, nog meer minuten, urenlang.

Helaas, U scrolt en kijkt te veel.
Uw schermen staan in Uw gezicht gebrand.
U scrolt, kijkt weer ergens anders, het vijfde of zesde filmpje van de dag, een tweede, een veertiende. U glimlacht of fronst, U proest het uit en stuurt het naar Uw zoon, naar uw dochter en/of naar uw buur.
En voort.
Scrollen, klikken, kijken, kijken, klikken, scrollen, scrollen.

Uw gezicht werd ondertussen erg vervormd.

U krabt zich in de haren, beseft dat U even moet bewegen, kijkt toch nog twee filmpjes.

U staat op en loopt wat door de gang.
Tijd voor een koffie.
Aha, de fijne collega van de marketingafdeling. Of ze dat artikel las? Want U wil graag wat ernst uitstralen. En kennis. En dan toch wat humor, dat ene filmpje, nietwaar. U toont het haar. Ze glimlacht maar moet helaas dringend terug naar de afdeling.

Uw gezicht vervormt nog meer.
De koffiemachine zegt hardop ‘You want another coffee?’ U duwt op het goeie knopje. De koffie loopt.

U wacht,  U kijkt op Uw telefoon, scrolt, klikt, leest, kijkt, proest het uit en kijkt nog eens en nog eens.

Uw koffie.

Uw gezicht is verbrand, Uw gezicht is vervormd, Uw ogen weerspiegelen de beelden en filmpjes van de dag.

U loopt naar uw werkplek, stoot Uw knie, Uw beker koffie valt. U kijkt naar Uw telefoon, het laatste filmpje staat nog op het scherm, U zucht, jaja U zult dit zelf opruimen maar die andere lieve collega dept reeds de gemorste koffie. U loopt voort naar Uw werkplek, neemt de draad van de laatste feed weer op en bekijkt nog drie filmpjes. Dan stuurt U een goeie mop naar die beide lieve collega’s en ha ja ook nog naar enkele vrienden.

Uw gezicht
——————————————————————————————————

Francis Bacon. Three Studies for a Self-Portrait (1969)

MARCEL ZEGT

Marcel zegt:
‘Ginder boven zit een Grote Meneer (of Madam) en die kijkt toe hoe miljarden onderdanen collectief richting de afgrond schuifelen. Millimeter per millimeter, that is. Meestal is het een of twee millimeter per dag, maar sommige dagen zelfs tot een centimeter.
Ik vraag me af of die Grote Meneer (of Madam) zich dan dagelijks in de handen wrijft, of of Hij (of Zij) stilletjes zit te grinniken. Of een weddenschap heeft afgesloten met, tja, met wie?’

Marcel zegt:
‘Die Grote Meneer (Ik zal Hem ‘Meneer’ blijven noemen, dat is uit gemakzucht en omdat de kans dat het een meneer is exact 89.23% groot is) vindt dat hij de onderdanen wat moet helpen. Hij neemt een lange aanwijsstok en port hen in de goeie richting.’

Marcel zegt:
‘En Meneer zit ginds boven weer te grinniken. Misschien geeft hij, na afloop, een feest, omdat er eindelijk wat plaats werd gemaakt. Een paar miljard mensen minder, dat is immers een feest waard. Meneer neemt zijn lange aanwijsstok weer vast en port. Vandaag schuifelt die enorme horde maar liefst 16 millimeter verder. Een absoluut record. Trouwens, wie zou er op het feest uitgenodigd worden?’

Marcel zegt:
‘Ik weet niet wie de genodigden zijn. Andere Grote Meneren of Madammen? Maar ik wil er niet bij stilstaan.’

Marcel zegt:
‘Hoe ver? Het is welgeteld nog 535,23 meter tot de afgrond. Reken maar uit, je kunt de gemiddelde snelheid schatten en zo bereken je het aantal dagen dat nog nodig is om de afgrond te bereiken. Te moeilijk? Ha ha. Gebruik de rekenmachine van je telefoon. Of laat die hersencellen wat harder werken. Ze slapen.’

Marcel zegt: ‘4 millimeter gisteren. Eergisteren 7.’

Marcel zegt:
‘Annelies hoort niet bij die miljarden onderdanen. Annelies huppelt door haar leven. Schuifelen? Neen, dat doet ze niet. Misschien zal ik er later wat meer over vertellen. Over Annelies. Nu niet.’

Marcel zegt:
‘Nog 527,38 meter.’

VAN MIJ NIET VAN MIJ

Ik had hem gevonden en beschouwde hem als mijn eigendom. We schoten dadelijk goed op, konden vlot communiceren en slaagden er makkelijk in om elkaars ernst met een kwinkslag te relativeren. Ik voelde me goed bij hem. Ik was blij met mijn vondst en hij was van mij. Het feit dat ik hem had gestolen vergat ik.
Immers, alles klopte en ging de hele tijd vanzelf. Onze vriendschap was er een uit de duizend, ze was een evidentie, een gelukkig toeval. Van diefstal kon geen sprake zijn. We praatten en lachten en ik genoot.

Op een dag was hij weg. Verdwenen. Ik treurde wat, herinnerde mezelf eraan dat ik hem had gestolen. Ik dacht met plezier terug aan de mooie dagen en legde me neer bij de leegte.

Weken later las ik in de krant dat ze hem op het strand hadden gevonden. Dood. Verdronken en aangespoeld. Mijn reus, zijn immens grote lichaam, op het strand van Oostende. Grote, vette letters in de krant. Een reus als curiosum, te veel confronterende foto’s van mijn dode vriend. Foto’s van mensen die op zijn armen, benen, torso en hoofd klauterden. Die selfies en zelfs groepsfoto’s maakten. Die met hun gsm-licht in zijn neusgaten schenen. Die vuurtje stookten in zijn navel of van teen naar teen hopten. Die zijn dijen als glijbaan gebruikten. De foto’s deden me pijn aan de ogen.

Nog een paar dagen later stond hij opnieuw in de krant. Dat mensen hem als het ware ontmantelden. Een geamputeerde hand en voet. Anderen beschreven de plannen die ze met hem hadden. Ze wilden zijn ribben gebruiken als ornament. Ze wilden zijn schedel in een museum  tentoonstellen.

Het deed zeer, veel zeer. Mijn reus, mijn vriend. Dood. Ontmanteld, ontmenselijkt. Hij was van mij. Hij was niet van mij.

DEINING

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee
De zee

De zee
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Een hoge golf

Het land
Hoge golven hoge golven veel hoge golven
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land

De zee

Het land

De zee

De zee

De zee

VOLLENBAK

De colruyt trekt zich van de oorlogen en doden en daklozen en miserie just niks aan en doet vrolijk voort.
Hij zegt ‘Vollenbak leven’ maar bedoelt in feite en natuurlijk niet dat we vollenbak moeten leven, wel dat we de blauwe collect&go bakken vollenbak moeten vullen en dat we de kofferbak van onze auto vollenbak en met de grootste glimlach vol moeten stoempen en vooral dat we een zo lang en zo hoog mogelijk kasticket moeten krijgen en betalen.
Dat is ‘vollenbak leven’.
Trap er maar in, dat is normaal, want de gekte in de winkels en de winkelstraten en de stapels in de bestelwagens van de pakjesdiensten bevestigen dat i e d e r e e n erin trapt.
Pf.
En de colruyt is niet de enige.
Opsommen wil ik niet, of ja toch, eentje.
Een groot motorrijwielenmerk zegt dat we ten volle van het leven moeten genieten, en dat kan natuurlijk niet zonder hun merk. Vollenbak genieten, absoluut.

En nu ben ik weg, want anders wordt dat hier toch een opsomming en merken-namedropping van jewelste.

Of nee, wacht, ik wil er nog aan toevoegen dat ik voorlopig niet veel zin heb om hier iets te zetten.
Er wachten wel degelijk enkele teksten, maar de moeite om ze rap nog eens na te lezen en ze hier te droppen [plop] is te groot. Te veel gevraagd.
Kader het maar in dat commerciële en marketinggedoe van de colruyt en van dat motorrijwielenmerk en van al die andere. En van de algehele blindheid. Blindheid die overal te zien is. Is dat geen goeie?

Mijn onwil ebt wel weer weg en dan herneem ik.
Fijne feestdagen alvast. Geniet ervan, vollenbak.

TE MENS



Te wit te zwart te bruin te rood te groen

te blauw te geel

te groot te klein te dik te dun te iel

te veel te

veel.

Te vroeg te laat te sterk te zwak te erg

te luid te stil te lief te bruut te zacht te hard te

kwijl.

Te niet te al te slim te mal te zot te dom te

te.

Te fris te warm te heet te vuur te fel

te hel te zon

nabij.

Te nu te dan te traag te rap te veel te veel te

veel.

Te lui te druk

te arm te rijk

te mooi te pop

too bad.

Te blond te ros te grijs te

kort te lang te los te strak te

al.

Te veel te erg

te hang te lig

te spot-

goedkoop te duur

te vol te leeg te door te in te uit

te hier te daar

te heel te veel

te mens te

overal.

(sic, sic en sic, etc)
(deze txt is wsl niet af)

te slecht te goed

IN DECENNIA

Hij mepte met de volle vuist op de tafel, ‘Nu moet het gedaan zijn!’.
Zijn dochter stond op en maakte aanstalten om naar haar kamer te gaan.
Hij brulde voort: ‘Hier blijven gij! Ga mij een pint halen!’
Ze bleef even stokstijf staan, draaide zich langzaam om en zei: ‘Als ge wilt drinken dan zult ge uw pint zelf moeten halen.’

Tien jaar later:
Ze ging er met de kinderen op bezoek. Het waren immers hun grootouders.
‘Ge moest eens weten wat ik allemaal over u weet,’ zei hij uitdagend.
Ze slikte. Riep de kinderen bij zich. ‘Kom schatten, we gaan naar huis, we komen volgende week terug. Geef oma en opa een knuffel.’
‘Ge moest eens weten wat ik allemaal over u weet,’ herhaalde hij. De toon was wat veranderd. Scherper.
Ze slikte weer en knoopte de mantel van een van de kinderen dicht. Misschien zocht ze naar adem? Naar een weerwoord? Ze zei zacht: ‘Gij weet vast veel meer over mij dan ik zelf weet. Kom, kinderen.’
‘Awel ja, trut, bol het maar af,’ snerpte hij.

Tien jaar later:
‘Mevrouw, uw vader heeft zichzelf met een schaar in de pols gesneden. Met opzet. Het is geen diepe wonde. Hij werd naar psychiatrie overgebracht. Na een poging tot zelfdoding is dat standaard, mevrouw. Kunt u hem wat makkelijk zittende kleding wegbrengen?’
De gangen van de instelling waren lang en koud. Ook de afdeling was verre van gezellig. Stille mensen, schuifelende mensen, weinig mensen. Haar vader lag in een verduisterde kamer, hief een arm op toen hij haar zag, zei niks, kon niks zeggen? Ze dropte de kleine reistas op een stoel. Een verpleegster kwam binnen, zei dat de kledij van pas kwam en dat hij nog geen woord had gezegd. Dat hij niet uit bed kon of wou. Dat hij daar gewoon maar lag.

Tien dagen later:
‘Mevrouw, we hebben uw vader naar het UZ laten brengen. Hij heeft een longontsteking. Het gaat niet goed met hem, mevrouw.’

Twee dagen later:
‘Mevrouw, uw vader heeft niet lang meer te leven. Het is beter dat u even komt.’
Ze belde het woonzorgcentrum, dat ze haar moeder zou komen halen, dat ze dringend naar het UZ moesten.

Twee uur later:
Het was druk op de baan.
‘Ge moest eens weten,’ bleef haar moeder mompelen. ‘En gij zat er altijd maar tussen en gij hield u sterk,’ zei ze.
‘Wat zeg je?’ vroeg de dochter.
‘Niks, dat hij op sterven ligt,’ zei de moeder.

Een uur later:
‘Hij is tien minuten geleden overleden, mevrouw.’
Haar moeder knikte, keek naar de dode, haar dode.
Terug in de auto zei ze: ‘Hij is dood. Voor altijd. Hij komt niet meer terug.’

SOMS IS HET EEN RONDE TAFEL, OF EEN HOGE

Zij zijn veel slimmer dan wij.
[ik neem mijn hoed af]
Ze zitten de ganse dag aan een van hun
tafels
en voeren diepgaande
gesprekken
over hun hoogstaande
leven,
[ik neem mijn hoed af]
over wat ze gisteren en vanochtend
deden
[ik neem mijn hoed af]
en over hun betekenis in onze huidige
mij.
[ik kort het af]
[ik neem mijn hoed af]


Ze drinken een wijntje
en een koffie
en een wijntje.
Ze keuren de geuren en kleuren ervan en
bespreken, benoemen, beschrijven de bonen en druiven
[ik neem mijn hoed af]
en drinken een extra wijntje
en koffie
en

Ze zijn tevreden.
Zeggen hoe goed ze het deden
en doen
en zullen.
Ze maken een scala aan plannen – een speech,
een lezing, een artikel, een boek
[ik neem mijn hoed af]
en tellen wie ze ondertussen al kennen
in welke landen
op welke zenders en online platformen
en hoe de laatste vlucht was
en zal

Dus ja,
inderdaad,
echt en echt,
ik neem mijn hoed af
en buig
en bewonder
en volg
en bewonder.
Ik val misschien in zwijm
want bewonder,
neem mijn hoed af
en buig
diep
diep
en nog eens
en dieper
tot
mijn hoed valt.