EN DE ZWALUWEN

[laat toe dat de vrolijkheid troef is]

maar wormen vreten aan de hersenen en dat is geen mooi uitzicht

[laat toe dat de vrolijkheid zegeviert]

maar angstige mannen zwaaien de de plak over onze wereld

[laat toe dat de vrolijkheid troef is]

maar de volgende terroristen plegen morgen een volgende aanslag en de volgende tientallen doden vallen te betreuren

[laat het toe]

maar de bijen sterven uit

[laat het toe]

maar het water verdwijnt

[laat het]

maar er komen geen bloemen meer in de oleanders (rood!), noch in de hortensia’s (blauw!)

[laat het]

maar de waterput van René (60 meter!) staat droog, etc

[laat het]

maar de bossen vliegen vanzelf in brand

[laat het]

of ze worden aangestoken

[laat]

veel te

[laat]

OF NERGENS, NOOIT

‘Niet gezien,’ zei zij.
‘Maar hoe weet je dat dan?’ vroeg hij.
‘Ik weet het gewoon,’ zei zij.
‘En, blijft het?’ vroeg hij.
‘O ja, het blijft. Voor altijd,’ zei zij.

(Kamers 9/9)

 

 

NU

‘Een keer,’ zei zij.
‘Zeker?’ vroeg hij.
‘Ja. Nu,’ zei zij.

(Kamers 8/9)

OF DERTIG OF VEERTIG

‘Zonnebloemen, liefst.’
‘Waarom? Die worden zo groot!’
‘Vanwege hun kleur. Dat mag. Groot mag echt. Achteraan, in de zon, tegen de muur.’
‘Veel? Hoeveel?’
‘Weet ik niet. Twintig?’
‘Ja, twintig, doen we.’

(Kamers 7/9)

VEEL

‘Rustig.’
‘Altijd?’
‘Ja.’
‘Geen gevloek?’
‘Nooit.’
‘Enkel liefde dan?’
(aarzeling)
‘Ja, enkel liefde.’

(Kamers 6/9)

VIJF

‘Ja, drie.’
‘Zonen? Dochters?’
‘Twee jongens en een meisje. En jij?’
‘Twee. Een jongen en een meisje.’
‘O. Vijf in totaal.’
‘Ja, vijf.’

(Kamers 5/9)

IN CENTIMETERS

Ze verschoof het glas.
‘Waarom doe je dat?’ vroeg hij.
‘Omdat het niet goed stond. Het moest wat naar links opschuiven. Drie centimeter.’
‘Drie?’
‘Drie.’

(Kamers 4/9)

LIEF, LIEVER

‘Morgen,’ zei hij.
‘Ja, dat zal wel,’ lachte zij.
‘Ik beloof het,’ zei hij.

(Kamers 3/9)

ZUIDELIJK

‘Ssssst,’ zei hij.
‘Ik wil ook,’ zei zij.
‘Kom,’ zei hij.

(Kamers 2/9)

MAAR NATUURLIJK

Hji kreunde zachtjes.
‘Dichter,’ zei hij.
‘Nog dichter,’ zei hij.

(Kamers 1/9)