Ik zeg het u, slagen en verwondingen, ik heb twee dagen in het ziekenhuis gelegen, ik zal klacht indienen tegen onbekenden, hopelijk heeft de camera van de elektrozaak iets geregistreerd en kunnen de flikken de gezichten herkennen.
Want nu zit ik hier, met mijn gebroken pols en mijn gebroken kaak en al die kneuzingen, ik kan zelf niks doen, weggaan doe ik voorlopig ook niet, mijn ribben doen veel te zeer en mijn beide ogen zien blauwgeelgroen van die knotsen van vuisten.
En ik zweer u, ik zal niet meer buitenkomen zonder boksbeugel in mijn zakken, ik zal die beugel altijd bijhebben en stevig aanhouden als ik door gelijk welke straat loop.
Ik vertrouw niks of niemand meer.
Zie mij hier, nu.
En nee, het waren geen vreemdelingen om het met uw woorden te zeggen, het waren jonge gasten uit de gemeente, ze spraken hetzelfde dialect als gij en ik maar ik ken ze niet, ik hou de jeugd zo niet in het oog maar ik zweer u dat ik dat vanaf nu wel zal doen, misschien herken ik hen en dan zal ik rap de flikken bellen, begot.
Want mijn pols en mijn kaak en mijn blauwe ogen en ook nog eens mijn portefeuille en telefoon en bril en horloge gepikt.
Een mens zou voor minder.
Opgejut waren ze. Drugs, ja. Geld nodig, ja. Zie mij hier, nu.
DE JONGEN MET DE RODE BALLON
Een jongen loopt met zijn rode ballon voorbij een school.
Hij kijkt naar binnen en ziet kinderen ijverig luisteren, ijverig schrijven, ijverig luisteren, ijverig schrijven.
Behalve een.
Die heeft een kleine stok met een elastiek, spant het elastiek, laat het schieten. Een witte prop vliegt door het klaslokaal.
Behalve de jongen met de rode ballon heeft niemand dat gezien.
De jongen met de rode ballon loopt voort en botst tegen een mevrouw met een bontmantel.
‘Wel, jongen, kun je niet beter uitkijken? En moet jij niet naar school?’
De jongen antwoordt niet, loopt voort, ziet in de verte een bakker.
In het uitstalraam ziet hij snoepgoed en gebak.
Op een van de taarten ligt, als versiering, een kleine ballon, ook een rode, dezelfde als die van hem, maar dan in mini-uitvoering.
De jongen met de rode ballon leunt met voorhoofd en neus tegen het uitstalraam, om beter te kunnen zien.
Hij loopt en loopt, komt aan de rand van de stad, loopt door, is nu in een dorp.
Op het plein achter de kerk staat een grote schommel.
De jongen met de rode ballon knelt het touw van zijn ballon goed in de hand en schommelt, hoger en hoger, dan weer wat lager, dan weer hoger.
Vijf minuten, vijftien minuten, een half uur. Tot hij er genoeg van heeft.
Hij kijkt rond in het dorp.
Nog een bakker.
Geen kleine rode ballon op de taarten, maar wel een gele en O ja, ginds in de hoek een oranje.
‘Misschien is het feest,’ denkt de jongen met de rode ballon. ‘Maar ik zie geen mensen en ik hoor geen muziek.’
‘Misschien moet ik even te rusten,’ denkt hij.
Hij loopt terug naar de schommel, maar schommelt niet.
Plots vliegt er iets tegen zijn bovenlip. De jongen raapt het op.
Het is de papieren prop van hierboven.
De jongen met de rode ballon knelt het touw van de ballon goed in de hand en frommelt de prop open. Er staat iets op, in potlood geschreven.
De jongen leest, glimlacht, kijkt naar de ballon en zegt ‘Kom, we vertrekken.’
IN DE WISTERIA
Wie zijn zij? Die kleine kabouters die in de blauwe regen huizen? Die de bloemen tevoorschijn toveren en de takken leiden?
Ze zijn onmetelijk klein en onzichtbaar maar blijven van in de lente tot in de late zomer bedrijvig hun werk doen, verspringen, verhuizen en weer, en zingen in koor bij het zachte ontluiken van al dat nieuwgroene, nieuwblauwe.
Wat niemand weet, is dat zij hun krachten gebruiken om goud te spinnen en het daarna te weven doorheen de lianen en takken.
Dat ze vanaf hun hoogte de onzichtbare gouden draden spannen naar andere planten, naar huizen, naar lucht en naar regenbogen.
Zij leiden de zonnestralen. Ze leiden het licht en de kleuren.
Ze zingen hun lied en laten planten en bomen ontluiken en groeien.
Ze weven miljoenen nieuwe takken en paden.
Krachtig zijn ze, die kleine kabouters. Dag en nacht wakker, werkend en wakend. Zich lavend aan zon, aan het zicht op de wereld, aan het groene en blauwe, aan de sappen en groeikracht van al de planten.
Ze leiden, ze springen, ze laten bloeien, ze nemen een gouddraad en nog een en nog en weven de pracht tot ginds, in het bos, en tot daar, aan het water, en tot in de toppen van de bomen, en hoger en verder.
NORMANDY
Ze zei Ik wil terug naar die kust, naar het spel van de golven met het zonlicht,
naar de kracht van de wind en de kleuren van de regenbogen in de opvliegende
druppels. Naar het gestage op en af en op en af van het water en van de wind.
Ze zei Ik mis de grootsheid, de energie, ik mis het kunnen zien van de pracht,
zelfs al kan ik het me met gesloten ogen voorstellen en volop voelen en horen.
Het blauwe, het diepe, het blauwe, het diepe, het verre, het echte.
Ze zei Het is enorm.
Ze zei Het water op de keien en de weelde van zon, zee, wind. Van de kleuren.
Ze zei Ja ik weet het dat luttele kilometers verderop de duizenden soldaten
begraven liggen. Hun kruisen. Ik weet het, ik weet het. Het witte. De bomen.
De pleinen. Het gras.
Maar daar? Die toren? Reikend naar wolken. Baken voor schepen en mensen.
Zijn oude vuur. Zijn licht in de nachten. Het wijze, de wijzer. In die krachtige
golven, in zonlicht en stormen en wind. Met zicht op oneindig, op zeeën en
velden, op tuinen en huizen. Op mensen.
GOUDEN LEEUWEN
‘Twintig.’
‘Oei. Ja, dat is veel. Had je het geld?’
‘Nee. Ik heb zeventien moeten lenen.’
‘En je hebt die lening gekregen?’
‘Ja. Ik was daar al klant en de lening werd vanzelf goedgekeurd.’
‘Welk bedrag per maand?’
‘Te veel.’
‘En wat zei Annie?’
‘Die was niet blij. Ik heb hem gekocht zonder er haar iets over te vertellen.’
‘En? Rijd je al?’
‘Nee, ik moet wachten op de verzekering en op de nummerplaat.’
‘O.’
‘Ik heb een gepersonaliseerde nummerplaat gevraagd.’
‘Oei. Dat is toch duur?’
‘Ja. En ik laat nog een special painting aanbrengen. Een gouden leeuw op de tank.’
‘Huh? Serieus?’
‘Ik heb ook alle bijhorende kleding gekocht. Helm, laarzen, broek, vest, handschoenen.’
‘Amai. Mooi, zeker?’
‘Ja. Met emblemen. Gouden leeuwen. Ook special paint op de achterkant van de helm.’
‘En dat allemaal voor twintigduizend?’
‘Heu nee. De twintig was enkel voor de Harley.’
‘Ai. Ja. Annie?’
‘Geen klank. Amper beeld.’
‘Tja, wat wil je.’
‘Het betert wel weer.’
‘Denk je?’
‘Ja, ze draait wel bij. Ja ik denk wel dat ze zal bijdraaien. Hoop ik.’
DIEP, DIEP ONDER DE HUID
‘En, hoe gaat het?’ vraag ik.
‘Och, ça va,’ zegt ze. Ze kijkt me niet aan.
‘Ja, maar hoe gaat het met jou?’ vraag ik.
‘Ik ben oké,’ antwoordt ze. Ze kijkt me nog altijd niet aan.
‘Zullen we eens ’ Ik wil haar uitnodigen maar ze laat me mijn vraag niet afmaken.
‘Ik heb geen tijd, ik moet voortdoen,’ zegt ze.
NIJHOFF IN DE WOLKEN
Praten? Nee ik wil niet praten, ik wil alleen maar iets zeggen, iets vertellen misschien, maar praten wil ik niet.
Over Nijhoff, Martinus Nijhoff, ik kwam hem gisteren tegen, ‘ergens tussen de wolken’, meer uitleg hoeft daar niet bij.
Ja, Nijhoff, en hij zweefde.
Er waren nog andere namen, tussen die wolken, enkele ‘belangrijke’ namen zelfs, maar ‘belangrijk’ doet er niet toe, en aan het droppen van namen probeer ik me zo weinig mogelijk schuldig te maken.
Maar voor Nijhoff mag dat wel.
Ik zou trouwens eens moeten checken of hij op mijn honderd-lijst staat.
Bij deze.
Aangepast.
Er was ook het water.
Misschien moet ik de Schelde ook maar op mijn honderd-lijst zetten. De Schelde en de Oosterschelde. Die verdienen daar ook hun plaats.
Gedaan.
Er waren dus de wolken en de Schelde. Veel van het Scheldewater heb ik niet gezien, het was geen mooi weer en het begon zelfs te gieten. We dronken iets en hoorden enkel een RIB.
‘Amai, die mensen zullen nat worden,’ zei ik.
‘Ja, bonk, bonk,’ zei hij, doelend op de snelheid van de RIB, en op het gestage bonken ervan op het water.
Het stopte met regenen, het terras liep leeg want de mensen die er zaten moesten hun boot halen, die van halfzes, zegden ze, en dat ze wisten dat het tegen halfzes wel zou stoppen met regenen.
Nu, iets meer dan 12 uur later, kwamen de wolken, Nijhoff en de Schelde terug.
Ik zet ze hier.
Ze mogen hier staan.
Martinus Nijhoff, De wolken
(Via DBNL)
Ik droeg nog kleine kleeren, en ik lag
Lang-uit met moeder in de warme hei,
De wolken schoven boven ons voorbij
En moeder vroeg wat ‘k in de wolken zag.
En ik riep: Scandinavië, en: eenden,
Daar gaat een dame, schapen met een herder –
De wond’ren werden woord en dreven verder,
Maar ‘k zag dat moeder met een glimlach weende.
Toen kwam de tijd dat ‘k niet naar boven keek,
Ofschoon de hemel vol van wolken hing,
Ik greep niet naar de vlucht van ’t vreemde ding
Dat met zijn schaduw langs mijn leven streek.
– Nu ligt mijn jongen naast mij in de heide
En wijst me wat hij in de wolken ziet,
Nu schrei ik zelf, en zie in het verschiet
De verre wolken waarom moeder schreide –
VOORZICHTIG
‘Wat doe je?’
Ik ben voorzichtig.
‘Ja, maar, wat DOE je?’
Ik ben gewoon voorzichtig.
‘Ja, maar waarom?’
Goh. Ik zal je iets vertellen. Mijn nachtelijke droom in het kort.
‘Tja, ik hou niet van andermans dromen.’
Wees gerust. Ik ook niet. Heel kort. In deze droom werd alles plots donker. Ik bedoel pikkedonker. Pikzwart. Nergens een spoor van licht. Na een kwartier of zo zag ik ineens een paar flitsen geel, lichtgroen, donkerblauw. Een vrouw in de zaal slaakte een gil. De kleuren waren direct weer weg en ze kwamen niet meer terug. Dus vanaf nu ben ik voorzichtig.
‘Tja. Geeuw. Maf. En wat dan?’
Niks. Ik ben voorzichtig. Behoedzaam. Ik hoop. Ik wacht, ik kijk, ik hoop.
TIEN, IK WACHT
Tien, ik wacht.
Elf, ik wacht.
Twaalf, ik wacht.
Dertien, ik wacht.
Veertien, ik wacht.
‘Wat doe je?’
Ik wacht.
‘Ja, dat had ik al door. Maar waarop?’
Op niets.
‘Dat kan niet. Je wacht op een vriend, of op de autobus, of op iets anders, maar op niets? Dat kan niet.’
Vijftien, ik wacht.
Zestien, ik wacht.
‘Zeg, tel eens in stilte.’
Zeventien, ik wacht.
‘En het kan niet. Je kunt niet op niets wachten. Of zal er iets gebeuren?’
Achttien, ik wacht.
Negentien, ik wacht.
‘Hallo, hoor je me?’
Ja, ik hoor je. Twintig, ik wacht.
‘Negeer je me?’
Nee. Eenentwintig, ik wacht.
Tweeëntwintig, ik wacht.
Drieëntwintig, ik wacht.
‘Hallooo.’
Vierentwintig, ik wacht.
Een, ik wacht.
Twee, ik wacht.
‘Je bent gek. Ik ga slapen.’
Drie, ik wacht.
Vier, ik wacht.
‘Komaan zeg.’
Vijf, ik wacht.
Zes, ik wacht.
‘Dit klopt niet. Je bent echt gek.’
Zeven, ik wacht.
Ik ben niet gek. Ik wil gewoon wachten. Ik wil beter doen.
‘Beter dan wie of wat?’
Beter. Acht, ik wacht.
Negen, ik wacht.
Tien, ik wacht.
Elf, ik wacht.
LANG, LANG
Hij zegt Ik blijf hier wel even wachten en ik zwaai even met mijn Knack Ik ben een slimme mens hé mevrouw V en ik zal me hier in het zeteltje zetten.
Ik zeg Buiten staat een bankje Dat is misschien beter Veel mensen vinden het daar goed om zitten Het dient er speciaal voor.
Hij zegt Ha ja dat is een goed idee en seg Hoe zit het nu met die keuring?
Ik zucht en zeg Die verhalen zijn veel te lang hé meneer Daar kan ik nu echt niet op ingaan Het is à la Belge dus het duurt en het duurt.
Hij vraagt Dan zal ik maar op dat bankje Dan zal ik u met rust laten en
Ik zeg Ja meneer Dank u Dat is een heel goed idee