We krinkelen en krinkelen
en zingen en zingen
en krinkelen en krinkelen
en vliegen en zingen en
kwetteren.
Binnenkort beginnen we te
broeden en broeden
en broeden en broeden
en een paar dagen later
te voederen en voederen
en voederen en voederen
om dan, eindelijk, te
oefenen en oefenen met onze
jongen.
Wij en zij beginnen te
krinkelen en struikelen
en krinkelen en vliegen
en zingen – of wat er op lijkt –
tot ze
– helemaal zelf en alleen –
vliegen en zwerken
en vliegen en zwerken
en krinkelen en kwetteren
en zingen en vliegen
tot ze