20032025 OUD, NIEUW

20032025

Ik leg een vroege Hertmans klaar. Die mag in mijn kleine boekenkast. En een Kundera. Kundera schrijft over Cervantes, over Diderot, over Kafka. Het boek is dun, maar heeft veel inhoud. Het roept herinneringen op. Ik besluit om dit eerst nog eens te lezen.

Onderaan, in de oude houten boekenrekken – met liefde voor mij gemaakt (dat weet ik) – vind ik een biografie van ‘Alfons De Ridder’, in stripvorm. Ik leg de Kundera even opzij en blader, lees nieuwsgierig. Ik was dit stripboek helemaal vergeten. Waar komt het vandaan? Kreeg ik het? Kocht ik het?
De letters in de prenten zijn te klein voor mij. Ik zet mijn bril af en hou het boek dichter bij mijn bijziende ogen. Dat lukt. Kaas, Lijmen… Ja, die moet ik ook herlezen. Ze mogen in de nieuwe kast. En misschien ook het verzamelwerk. Waar staat dat? Waar het hoort, waarschijnlijk. Dat mag later ook in de kleine kast, zoveel is zeker.

Ik vond trouwens een toon voor FR. De eerste zinnen zijn uitgeschreven. Voor FR zelf. Voor al het andere moet ik de toon en de vorm nog steeds vinden. Vertrouwen – een mens moet vertrouwen hebben.

Het werk roept. Negen dozen in te boeken. (Ook boeken!)

18032025 DERTIG, WAARSCHIJNLIJK.

Ik dacht Ik verplant de bomen en telefoneerde met Groener om te vragen hoe ik dat het beste kon aanpakken.
Groener vond een schitterend idee en schoot me te hulp.

De volgende dag stelde ik een oude vraag aan chatGPT. ChatGPT kan sneller zoeken dan ik, véél sneller. Is ChatGPT eigenlijk een man? Ze lijkt me eerder een vrouw. Ze vond niet wat ik zocht. Ik zal het nooit weten.

Nog een dag later hield ik me bezig met het in elkaar zetten van een kleine boekenkast. Onooglijk klein, zeg maar. Hij moest volstaan voor een beperkt aantal boeken. Vijf of tien. Of twintig?
Mijn grote kamerbrede rekken moesten leeg.
‘Huh, leeg? Wat dan met al die andere boeken?’ vroeg Bart.
‘Die mogen weg,’ zei ik.
Hij keek me ongelovig aan.
‘Misschien hou ik er dertig,’ zei ik. ‘Kijk, ik heb er al drie opzij gelegd voor in de kleine boekenkast. Ik moet kiezen. Ik zal nog een Steinbeck herlezen. Nee, twee. Die zullen wel in de kast mogen. En misschien houd ik van ‘Of Mice en Men’ zowel het origineel in het Engels, als de vertaling. En dan dat ene dunne boek over Hopper, waar ook een paar schetsen en notities van hem instaan. Het ligt de hele tijd in mijn buurt. Dat boek moet er ook in.’

IN DECENNIA

Hij mepte met de volle vuist op de tafel, ‘Nu moet het gedaan zijn!’.
Zijn dochter stond op en maakte aanstalten om naar haar kamer te gaan.
Hij brulde voort: ‘Hier blijven gij! Ga mij een pint halen!’
Ze bleef even stokstijf staan, draaide zich langzaam om en zei: ‘Als ge wilt drinken dan zult ge uw pint zelf moeten halen.’

Tien jaar later:
Ze ging er met de kinderen op bezoek. Het waren immers hun grootouders.
‘Ge moest eens weten wat ik allemaal over u weet,’ zei hij uitdagend.
Ze slikte. Riep de kinderen bij zich. ‘Kom schatten, we gaan naar huis, we komen volgende week terug. Geef oma en opa een knuffel.’
‘Ge moest eens weten wat ik allemaal over u weet,’ herhaalde hij. De toon was wat veranderd. Scherper.
Ze slikte weer en knoopte de mantel van een van de kinderen dicht. Misschien zocht ze naar adem? Naar een weerwoord? Ze zei zacht: ‘Gij weet vast veel meer over mij dan ik zelf weet. Kom, kinderen.’
‘Awel ja, trut, bol het maar af,’ snerpte hij.

Tien jaar later:
‘Mevrouw, uw vader heeft zichzelf met een schaar in de pols gesneden. Met opzet. Het is geen diepe wonde. Hij werd naar psychiatrie overgebracht. Na een poging tot zelfdoding is dat standaard, mevrouw. Kunt u hem wat makkelijk zittende kleding wegbrengen?’
De gangen van de instelling waren lang en koud. Ook de afdeling was verre van gezellig. Stille mensen, schuifelende mensen, weinig mensen. Haar vader lag in een verduisterde kamer, hief een arm op toen hij haar zag, zei niks, kon niks zeggen? Ze dropte de kleine reistas op een stoel. Een verpleegster kwam binnen, zei dat de kledij van pas kwam en dat hij nog geen woord had gezegd. Dat hij niet uit bed kon of wou. Dat hij daar gewoon maar lag.

Tien dagen later:
‘Mevrouw, we hebben uw vader naar het UZ laten brengen. Hij heeft een longontsteking. Het gaat niet goed met hem, mevrouw.’

Twee dagen later:
‘Mevrouw, uw vader heeft niet lang meer te leven. Het is beter dat u even komt.’
Ze belde het woonzorgcentrum, dat ze haar moeder zou komen halen, dat ze dringend naar het UZ moesten.

Twee uur later:
Het was druk op de baan.
‘Ge moest eens weten,’ bleef haar moeder mompelen. ‘En gij zat er altijd maar tussen en gij hield u sterk,’ zei ze.
‘Wat zeg je?’ vroeg de dochter.
‘Niks, dat hij op sterven ligt,’ zei de moeder.

Een uur later:
‘Hij is tien minuten geleden overleden, mevrouw.’
Haar moeder knikte, keek naar de dode, haar dode.
Terug in de auto zei ze: ‘Hij is dood. Voor altijd. Hij komt niet meer terug.’

‘ZIT!’, IN MAX. TWEE BEVELEN

maar in feite kan ‘m alles moeiteloos.

(dit is nog een doorbreken van mijn voorlopige weigering om te schrijven, het is ook een weigering om in vreemde bijna-raadsels te schrijven)

Een enkele oefening vormt misschien (zeker, bedoel ik) een probleem, maar die ene oefening is slechts een onderdeel van een andere, grotere, en overall zou hij toch moeten slagen. Tenzij, natuurlijk, er weer veel te veel omgevingslawaai is, of tenzij het vochtig is, want dan ruikt alles veel sterker. Daarbovenop is er het begin van het vallen van de bladeren, die liggen er iedere keer meer, en die ruiken blijkbaar lekker. Ze nodigen erg uit tot snuffelen, snuffelen, het nieuwsgierige onderzoeken op de wijze van ‘Wat is dit? Ieder blad ruikt anders! Hop, hop naar het volgende en o, o daar nog een!’

(Wat hoorde ik over Joyce en het gewone leven? Ik zou het filmpje helemaal moeten bekijken, maar dat bekijken enzovoort zou niet meer zijn dan nieuwsgierigheid in de stijl van ‘Ik snuffel en snuffel want dit blad ruikt lekker en dat blad ruikt ook lekker en dat blad ook’. De bedoelde schrijf-weigering zal binnenkort vanzelf wegebben en later, jaren later, zal ze, met plezier, terugkomen, volledig overwinnen en eeuwig blijven. Dan zal ik me beperken tot het snoeien van de rozenstruiken, van de olijfboompjes, van de vijgenboom, en tot het wandelen met de hond. Dan zal ik glimlachen zonder dat er daarna een tekst over geschreven moet worden. Ik zal enkel nog kijken naar de bomen, naar de honden, naar de mensen.)

LICHT

Maar ik zou naar binnen moeten gaan, naar boven, naar mijn kamer, en ik zou moeten schrijven en schrijven maar ik doe het niet. Ik blijf hier zitten en kijk naar het licht van de zon in de bomen. Het is een mooi schouwspel, als een golvende zee met veranderende tinten, groen in de plaats van blauw, en ze bewegen en rollen, het is een van de mooiere beelden en ik blijf waar ik ben, beter nog, ik sta op, recht mijn rug en stap een paar meter vooruit, kijk indringend naar dat schitterende schouwspel van dit licht en de duizenden soorten groen, ruisend, bewegend.

NOORDWAARTS

Maar dat van die snee in mijn wenkbrauw is oud. De wonde is al lang genezen en het litteken is amper zichtbaar. Soms valt de flinterdunne lijn in mijn wenkbrauw me op en dan denk ik eraan dat niemand weet wat me echt overkwam. Een mens is gehaast, snelt door het leven en valt, baf!
Maar dat is niet belangrijk. Zulke dingen zijn nooit belangrijk. Zonnebloemen en zwaluwen, ja, zij wel. En de Noordpool en Siberië die branden. En de grote fabrikanten die eindeloze, zinloze en vooral verwoestende plastiek in plastiek in plastiek in plastiek verpakken. Dat dat anno 2019 nog altijd kàn en al te vaak zonder commentaar geslikt wordt, is een schande.

ZEER

Mijn rechter wenkbrauw. Het was een lelijke, diepe snee en ze bloedde erg. Ze moest zorgvuldig ontsmet en genaaid worden en de dokter zei dat ik er een klein litteken zou aan overhouden.
Nu zit ik hier, een beetje verdwaasd. Soms betast ik de wonde en dan slik ik eens. Ja, het doet nog zeer.

ADEM (NR. 37836)

Gisteren besefte ik dat het hier over enkele dagen minder druk zal zijn. Ik heradem. Waarom heb ik er niet eerder aan gedacht dat deze gekte nooit langer dan een paar maanden duurt? Het is een troost, een warmte, een aangename deken die ik nu voel. Een herademen in de geruststelling. Adem, adem, heradem, diep, diep, nu reeds. En een wee gevoel in mijn hoofd, iets chemisch, lol, zoals alles chemie is, niet meer dan dat.

WE DROMEN, DROMEN

De droom ging over jou. Je zwom in de vijver van Hombeek, je had er plezier in en je wuifde. Een hond sprong in de vijver maar die hond was vergeten dat hij niet kan zwemmen, het was hilarisch, hij spartelde, bleef boven, bereikte waterworstelend de kant. Jij lachte en wuifde weer, de hond sprong opnieuw. Zonovergoten was het, alles.

De volgende droom ging over een groot bord rijpe oranje en rode snoeptomaten, het rode overheerste. Het licht op dat rode, de grootte, weer het licht, het verblindde. Even later nog meer grote borden vol andere kleuren, kleuren, kleuren.

En daarna? Niks, niks. Geen dromen meer. Het leven van alledag. Die ochtend regende het. Ik trok me niets aan van de regen en liep naar de roze en fuchsia gerbera’s. Modekleuren, hypes. Nieuwe bloemen. Wist je dat gerbera’s bloemen in bloemen zijn? Misschien moet ik hier een ‘wistjedat rubriek’ maken. Over bloemen in bloemen en over zwaluwen en kwikstaarten. De zwaluwen broeden lang, de kwikstaarten veel minder lang, de jongen zijn al uitgevlogen en de ouden maakten een nieuw nest, weer op een vreemde plaats, bovenop de linker schuifpoort van de loods achteraan. We zullen die schuifpoort de komende weken niet kunnen gebruiken. De kwikstaarten, ja, het leven van de kwikstaarten.

(Ik ben ik. ‘Jij’ is iemand die ik niet ken. ‘De hond die was vergeten dat hij niet kan zwemmen’ is onze Kenzo maar de hond uit de tekst is me vreemd. De rode snoeptomaten zijn echt, de gerbera’s, kwikstaarten, zwaluwen, uitvliegende jongen en de schuifpoort ook.)

(voor mijn familie. Hier in Londerzeel, maar ook die van Eikevliet, Neerpede en Berkel en Rodenrijs)

ELFENDERTIG

Elf. Elf colli’s in de nachtbox en vandaag moet ik die jammer genoeg zelf uithalen. Dat wordt zeulen, stapelen, snijden, paklijsten vissen. Dan het vaste werk; overlopen, inboeken, etiketten printen, uitpakken, kleven, sorteren, wegleggen of -zetten.
En dan al het andere. Ik kreun.
‘Kafka,’ zeg ik tegen PJ. PJ lacht.
‘Herlees Kafka,’ zegt hij.
Zou het helpen?

Boven mijn hoofd, door de koepel, hoor ik het kabaal van de duiven. Het stoort, maar het zijn maar duiven. ‘Er is niks aan de hand,’ zeggen die. ‘Het is al licht en er is het vooruitzicht van de lente, morgen, overmorgen. ‘Het is licht, LICHT,’ roepen ze. Ik draai mijn hoofd naar links en ik zie het.