GROEN ROOD ORANJE BRUIN WIT

Ze zag de groene specht. Plots vloog hij met een grote boog naar het bos.
De volgende middag zag ze hem weer.
De derde dag keek hij haar aan. Hij wenkte.
‘Hoe gaat het met jullie?’ vroeg hij.
‘Dank je, het gaat,’ antwoordde ze.
‘Nochtans. Ik hoorde dat al het andere pittig is,’ zei hij.
Ze zweeg.
‘Veel drukte, veel gedoe, veel druk,’ zei hij.
‘Ja. Pittig dus.’ zei ze.
‘Lukt het een beetje?’ vroeg hij.
‘Ja. Ja. Een beetje,’ twijfelde ze.
‘Ben je goed voorbereid voor maandag?’ vroeg hij.
‘Ik heb een bundel. Ik moet nog wat printen en ik zal een paar verduidelijkingen noteren. Het wordt een dik dossier,’ zei ze.
‘Zal het helpen?’ vroeg hij.
‘Ik weet het niet,’ zei ze.
‘Ben je bang?’
Ze zweeg.
‘Ben je bang?’ herhaalde hij.
‘Soms wel,’ zei ze. ‘Ik ken de gevolgen niet. Meester T. zei dat het gevaarlijk kan worden.’
‘Maar je moet dit doen,’ zei hij.
‘Ja. Ik moet. Wij moeten. Samen zijn we hopelijk sterk genoeg.’
‘Zie je het mooie nog?’ vroeg hij.
‘O ja. Misschien niet vaak genoeg, of niet alles. Maar toch. Ik zie iedere dag de klaprozen in het veld, de kamperfoelie die straks vol bloemen staat, de notelaar die het laatste jaar enorm gegroeid is. We zullen veel noten hebben. En gisteren zag ik een van de kwikstaartjes. En de spechten.’
‘Veel goede moed,’ zei onze groene specht. Hij vloog met een grote boog naar het bos.

HERFST

dscn1607

Goedemorgen mijnheer Macharis,

Dank u.
Ja, ik kan wat afleiding gebruiken. Nee, ik was niet meer aan zee. Ik blijf thuis en doe niets anders dan tabellen, tabellen en tabellen en de volgende twee of drie maanden zal dat niet veranderen. Ik zie niemand, tenzij ik een brood wil kopen of tenzij ik naar de supermarkt ga. Maar ik kom nooit iemand tegen die ik ken. Alles en iedereen is nieuw, behalve de tabellen.
U schreef dat ik lid zou kunnen worden van een hobbyclub. Wat bedoelt u? Koken? Handwerken? Quizzen? Een leesclub?
Ik pas.
Ik wil niet in een club. Ik wil best wel wat beter leren koken, maar een club? Iedere woensdagavond, bijvoorbeeld? Ja, ik zou mensen leren kennen en ik zou minder vaak alleen zijn. Ik zou met de anderen kunnen telefoneren om iets te vragen, of we zouden kunnen afspreken. Misschien zou ik er wel een nieuwe partner leren kennen!
Maar ook daar: ik pas. We leven in 2016, en met al die bommen en granaten die men tegenwoordig in huwelijken en andere relaties kan vinden? Nee, dank u. Ik blijf alleen. Alleen tot den dode en als er over twee of drie decennia geen plaats voor me is in een of ander aangenaam rustoord, dan stap ik uit het leven.
Trouwens, u kent me toch beter dan dat? Meende u het, van die club?
Maar goed.
Ik reed niet naar zee, maar ik reed wel wat rond in deze nieuwe omgeving.
Ik zag een roodgloeiende gevel. Prachtig. Een oud huisje en een gevel ervan zat volledig verstopt  onder een schitterende, rode klimop. Ik ken de soort niet. Ik weet niet eens zeker of ik het wel klimop mag noemen. Misschien moet ik eens terug om een foto te maken. Felrood onder de zon, was het. Zelfs terwijl ik aan mijn tabellen zit of terwijl ik hier aan u zit te schrijven, kan ik me het beeld nog zo voor de geest halen. Zo bijzonder, mijnheer Macharis. Ja, ik weet nog waar het was en misschien rijd ik eens terug.

Hartelijke groeten,

E.

PS. Ik reed terug. Maar op enkele dagen tijd was de overweldigende rode pracht veranderd in het bruine van de herfst. De gevel werd reeds kaal. Zo gaat dat. Ik maakte dan maar een foto van de overkant en ik wacht op de lente en op de volgende nazomer om die breekbare pracht terug te zien.

foto: Malderen, Beekstraat.

2 van 66 brieven

Bewaren