SCROLLIN’

Ja, U.
U leest hier.
Welkom.
U leest vijf seconden, of tien, of vijftien. Dan klik klik en U bent weer weg. U leest elders, klikt, scrolt, scrolt, klikt, leest, klikt, scrolt, scrolt. Vele minuten, nog meer minuten, urenlang.

Helaas, U scrolt en kijkt te veel.
Uw schermen staan in Uw gezicht gebrand.
U scrolt, kijkt weer ergens anders, het vijfde of zesde filmpje van de dag, een tweede, een veertiende. U glimlacht of fronst, U proest het uit en stuurt het naar Uw zoon, naar uw dochter en/of naar uw buur.
En voort.
Scrollen, klikken, kijken, kijken, klikken, scrollen, scrollen.

Uw gezicht werd ondertussen erg vervormd.

U krabt zich in de haren, beseft dat U even moet bewegen, kijkt toch nog twee filmpjes.

U staat op en loopt wat door de gang.
Tijd voor een koffie.
Aha, de fijne collega van de marketingafdeling. Of ze dat artikel las? Want U wil graag wat ernst uitstralen. En kennis. En dan toch wat humor, dat ene filmpje, nietwaar. U toont het haar. Ze glimlacht maar moet helaas dringend terug naar de afdeling.

Uw gezicht vervormt nog meer.
De koffiemachine zegt hardop ‘You want another coffee?’ U duwt op het goeie knopje. De koffie loopt.

U wacht,  U kijkt op Uw telefoon, scrolt, klikt, leest, kijkt, proest het uit en kijkt nog eens en nog eens.

Uw koffie.

Uw gezicht is verbrand, Uw gezicht is vervormd, Uw ogen weerspiegelen de beelden en filmpjes van de dag.

U loopt naar uw werkplek, stoot Uw knie, Uw beker koffie valt. U kijkt naar Uw telefoon, het laatste filmpje staat nog op het scherm, U zucht, jaja U zult dit zelf opruimen maar die andere lieve collega dept reeds de gemorste koffie. U loopt voort naar Uw werkplek, neemt de draad van de laatste feed weer op en bekijkt nog drie filmpjes. Dan stuurt U een goeie mop naar die beide lieve collega’s en ha ja ook nog naar enkele vrienden.

Uw gezicht
——————————————————————————————————

Francis Bacon. Three Studies for a Self-Portrait (1969)

MARCEL ZEGT

Marcel zegt:
‘Ginder boven zit een Grote Meneer (of Madam) en die kijkt toe hoe miljarden onderdanen collectief richting de afgrond schuifelen. Millimeter per millimeter, that is. Meestal is het een of twee millimeter per dag, maar sommige dagen zelfs tot een centimeter.
Ik vraag me af of die Grote Meneer (of Madam) zich dan dagelijks in de handen wrijft, of of Hij (of Zij) stilletjes zit te grinniken. Of een weddenschap heeft afgesloten met, tja, met wie?’

Marcel zegt:
‘Die Grote Meneer (Ik zal Hem ‘Meneer’ blijven noemen, dat is uit gemakzucht en omdat de kans dat het een meneer is exact 89.23% groot is) vindt dat hij de onderdanen wat moet helpen. Hij neemt een lange aanwijsstok en port hen in de goeie richting.’

Marcel zegt:
‘En Meneer zit ginds boven weer te grinniken. Misschien geeft hij, na afloop, een feest, omdat er eindelijk wat plaats werd gemaakt. Een paar miljard mensen minder, dat is immers een feest waard. Meneer neemt zijn lange aanwijsstok weer vast en port. Vandaag schuifelt die enorme horde maar liefst 16 millimeter verder. Een absoluut record. Trouwens, wie zou er op het feest uitgenodigd worden?’

Marcel zegt:
‘Ik weet niet wie de genodigden zijn. Andere Grote Meneren of Madammen? Maar ik wil er niet bij stilstaan.’

Marcel zegt:
‘Hoe ver? Het is welgeteld nog 535,23 meter tot de afgrond. Reken maar uit, je kunt de gemiddelde snelheid schatten en zo bereken je het aantal dagen dat nog nodig is om de afgrond te bereiken. Te moeilijk? Ha ha. Gebruik de rekenmachine van je telefoon. Of laat die hersencellen wat harder werken. Ze slapen.’

Marcel zegt: ‘4 millimeter gisteren. Eergisteren 7.’

Marcel zegt:
‘Annelies hoort niet bij die miljarden onderdanen. Annelies huppelt door haar leven. Schuifelen? Neen, dat doet ze niet. Misschien zal ik er later wat meer over vertellen. Over Annelies. Nu niet.’

Marcel zegt:
‘Nog 527,38 meter.’

VAN MIJ NIET VAN MIJ

Ik had hem gevonden en beschouwde hem als mijn eigendom. We schoten dadelijk goed op, konden vlot communiceren en slaagden er makkelijk in om elkaars ernst met een kwinkslag te relativeren. Ik voelde me goed bij hem. Ik was blij met mijn vondst en hij was van mij. Het feit dat ik hem had gestolen vergat ik.
Immers, alles klopte en ging de hele tijd vanzelf. Onze vriendschap was er een uit de duizend, ze was een evidentie, een gelukkig toeval. Van diefstal kon geen sprake zijn. We praatten en lachten en ik genoot.

Op een dag was hij weg. Verdwenen. Ik treurde wat, herinnerde mezelf eraan dat ik hem had gestolen. Ik dacht met plezier terug aan de mooie dagen en legde me neer bij de leegte.

Weken later las ik in de krant dat ze hem op het strand hadden gevonden. Dood. Verdronken en aangespoeld. Mijn reus, zijn immens grote lichaam, op het strand van Oostende. Grote, vette letters in de krant. Een reus als curiosum, te veel confronterende foto’s van mijn dode vriend. Foto’s van mensen die op zijn armen, benen, torso en hoofd klauterden. Die selfies en zelfs groepsfoto’s maakten. Die met hun gsm-licht in zijn neusgaten schenen. Die vuurtje stookten in zijn navel of van teen naar teen hopten. Die zijn dijen als glijbaan gebruikten. De foto’s deden me pijn aan de ogen.

Nog een paar dagen later stond hij opnieuw in de krant. Dat mensen hem als het ware ontmantelden. Een geamputeerde hand en voet. Anderen beschreven de plannen die ze met hem hadden. Ze wilden zijn ribben gebruiken als ornament. Ze wilden zijn schedel in een museum  tentoonstellen.

Het deed zeer, veel zeer. Mijn reus, mijn vriend. Dood. Ontmanteld, ontmenselijkt. Hij was van mij. Hij was niet van mij.

DEINING

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee
De zee

De zee
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Een hoge golf

Het land
Hoge golven hoge golven veel hoge golven
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land

De zee

Het land

De zee

De zee

De zee