De rechterarm afgerukt, de linker grotendeels gevild. Enkel de linkerhand is intact.
Ze zit in de sofa, zucht, haalt de schouders op – toch.
Iemand vraagt haar of ze niet al te veel last heeft van de kwetsuren.
Ze antwoordt niet en zucht nog eens.
Ze staat op, loopt naar buiten, verwijdert met haar linkerhand enkele uitgebloeide margrieten, gooit ze in de groene mand, ademt diep in en uit, kijkt naar de hoge bomen van het nabijgelegen bos, weert met haar hand het licht.
Vijf minuten later staat ze terug aan de deur, ze kijkt nog eens om naar de bomen, gaat de keuken in en zet een glas onder de kraan. Ze draait de kraan open, vult het glas, morst wat, neemt de vaatdoek, veegt de druppels op het aanrecht weg, wrijft de onderkant van het glas even over de vaatdoek.
‘Zie je wel? Ik trek mijn plan,’ zegt ze.
Ze recht de schouders – toch – en gaat terug naar buiten, richting de oleanders. Ze verwijdert ieder geel blad.
‘Ze kregen de voorbije weken te weinig water maar ze redden het wel,’ zegt ze.
wow!! 0OVER