21032025 KNALGEEL, KNALROOD

En nee, Kundera schreef geen handleiding met De kunst van de roman. En ik wil hier ook geen samenvatting of analyse of whatever geven. Van niks, over niks. Het internet is groot, zoek het op. Of lees.

Gisteren: rood, knalrood.
Gisteren: de knalgele forsythia’s.
Vanochtend: rood, knalrood. Het ochtendgloren. De wolken.

Gisteren: het woord ‘knal’. Ik gebruik het blijkbaar vaak. Zoals in ‘knalgeel’ (de auto van de baas van een klant) en zoals in ‘knalrood’ (in de database van Yamaha floepen sommige moto’s knalrood op. Dat wil niet zeggen dat hun motor (bijna) wordt opgeblazen — dat wil wel zeggen dat er een terugroepactie is. ‘Mijnheer, mag ik uw framenummer? Op uw inschrijvingsbewijs. JYA… en nog wat. Dank u. Uw moto staat knalrood, mijnheer.’)

Gisteren: ik stond erbij stil dat de kans dat iemand van de collega’s schrijft, bijzonder klein is. Dat geldt waarschijnlijk voor de volledige PC112-sector. Het paritair comité voor het garagebedrijf, is dat.
Wij, hier in Londerzeel, verkopen en onderhouden moto’s. De meeste collega’s van PC112 verkopen en onderhouden auto’s. In die autogarages is het nog erger dan bij ons. Alles is daar erger. Het reilen en zeilen, het rijden en — helaas — vaak ook het strijden.
Misschien voor een andere keer. Of andere keren. Of niet. Ik wou hier enkel het schrijven en het niet-schrijven aanhalen.

Gisteren: de beek en de eend. De eend in de beek.
Max stond erbij en hij keek ernaar.
‘Wanneer wandelen we voort?’ vroegen zijn ogen.
Het water van de beek stond, zelfs na al die droge dagen, nog hoog — maar het zakt. Het aanpalende weiland staat al weken droog, maar zodra het opnieuw begint te regenen, wast het water. Ik hou mijn hart vast.

Vanochtend: ik heb net de dozen uit de nachtbox gehaald, opengesneden, de paklijsten eruit gehaald, alles ingeboekt en de etiketten geprint. Al die kleine onderdelen zijn een verschrikking. Bouten, o-rings, rivetten, remblokken, lagers — ik zal dadelijk veel werk hebben met het sorteren.
Ik heb ook de dozen met afvalpapier en -karton rap opeengestapeld. We hebben te weinig plaats. Elke vierkante centimeter telt.

Vanochtend: ik zal eens een snapshot maken van de beek. Zes eenden. De twee laatste vlogen *plots* naar de kop van het groepje.

20032025 OUD, NIEUW

20032025

Ik leg een vroege Hertmans klaar. Die mag in mijn kleine boekenkast. En een Kundera. Kundera schrijft over Cervantes, over Diderot, over Kafka. Het boek is dun, maar heeft veel inhoud. Het roept herinneringen op. Ik besluit om dit eerst nog eens te lezen.

Onderaan, in de oude houten boekenrekken – met liefde voor mij gemaakt (dat weet ik) – vind ik een biografie van ‘Alfons De Ridder’, in stripvorm. Ik leg de Kundera even opzij en blader, lees nieuwsgierig. Ik was dit stripboek helemaal vergeten. Waar komt het vandaan? Kreeg ik het? Kocht ik het?
De letters in de prenten zijn te klein voor mij. Ik zet mijn bril af en hou het boek dichter bij mijn bijziende ogen. Dat lukt. Kaas, Lijmen… Ja, die moet ik ook herlezen. Ze mogen in de nieuwe kast. En misschien ook het verzamelwerk. Waar staat dat? Waar het hoort, waarschijnlijk. Dat mag later ook in de kleine kast, zoveel is zeker.

Ik vond trouwens een toon voor FR. De eerste zinnen zijn uitgeschreven. Voor FR zelf. Voor al het andere moet ik de toon en de vorm nog steeds vinden. Vertrouwen – een mens moet vertrouwen hebben.

Het werk roept. Negen dozen in te boeken. (Ook boeken!)

18032025 DERTIG, WAARSCHIJNLIJK.

Ik dacht Ik verplant de bomen en telefoneerde met Groener om te vragen hoe ik dat het beste kon aanpakken.
Groener vond een schitterend idee en schoot me te hulp.

De volgende dag stelde ik een oude vraag aan chatGPT. ChatGPT kan sneller zoeken dan ik, véél sneller. Is ChatGPT eigenlijk een man? Ze lijkt me eerder een vrouw. Ze vond niet wat ik zocht. Ik zal het nooit weten.

Nog een dag later hield ik me bezig met het in elkaar zetten van een kleine boekenkast. Onooglijk klein, zeg maar. Hij moest volstaan voor een beperkt aantal boeken. Vijf of tien. Of twintig?
Mijn grote kamerbrede rekken moesten leeg.
‘Huh, leeg? Wat dan met al die andere boeken?’ vroeg Bart.
‘Die mogen weg,’ zei ik.
Hij keek me ongelovig aan.
‘Misschien hou ik er dertig,’ zei ik. ‘Kijk, ik heb er al drie opzij gelegd voor in de kleine boekenkast. Ik moet kiezen. Ik zal nog een Steinbeck herlezen. Nee, twee. Die zullen wel in de kast mogen. En misschien houd ik van ‘Of Mice en Men’ zowel het origineel in het Engels, als de vertaling. En dan dat ene dunne boek over Hopper, waar ook een paar schetsen en notities van hem instaan. Het ligt de hele tijd in mijn buurt. Dat boek moet er ook in.’

DE TUINKABOUTER (1)

Hij stond voor het keukenraam dat uitkeek op de straat en maakte zich kwaad.
‘Godverdomme, ze zijn er weer mee weg!’ Hij vloog naar buiten.

Annie zag hoe hij de onderste takken van de grote rododendron opzij duwde en hevig gesticulerend de straat op en af liep, overal turend tussen de hagen en struiken. Zelfs in de achtertuinen van de buren zocht hij naar wat hij kwijt was.

Een half uur later kwam hij briesend thuis.
‘Niks! Nada! Nul! Die verdomde jongeren! Ze moeten met hun poten van andermans gerief blijven! Deze keer dien ik klacht in! Hoe heet dat ongedierte hier tegenover ook alweer? Ik weet zeker dat zij het zijn!’

Annie reageerde niet op zijn uitbarstingen. Ze sloeg, zonder op te kijken, een bladzijde om in de Humo.

TIEN MUSSEN

Ik had een gesprek met tien mussen. Ze zaten daar, plots, op het muurtje. Een van hen vroeg hoe het met mij ging, maar een andere mus (de uiterst rechtse) wachtte niet op een antwoord en zei dat hij (of zij?) vond dat de mens er maar een soepje van maakte.
“Ha ja, dat kan kloppen,” zei ik.

Alle tien mussen knikten bedachtzaam. Bevestigend bedachtzaam. De stilte bleef even hangen. Zelfs de tweede mus van links, die tot nu toe de hele tijd had zitten fluiten, zweeg.
De derde mus van rechts vroeg uiteindelijk of wij, de mensen, beseften dat dat soepje niet echt lekker is. Dat de maïs die erin zit een bijsmaakje heeft. Dat graankorrels eerder op rubberen keutels lijken. Dat broodkruimels na een paar minuten een vreemde kleur krijgen. En dat bladluizen urenlang kunnen blijven spartelen.

Ik keek die derde mus van rechts indringend in de ogen. Volgens mij was hij een ouder mannetje. Zijn stem klonk wat dieper en hij had een grote donkere vlek op zijn borststreek. Hij ratelde nog even door. Dat hij zich erg had verslikt in die soep.
“Gelukkig leef je nog,” zei ik.

Hij antwoordde dat de jeugd (ik dus) geen respect had. Dat ik hem niet mocht tutoyeren.
“Oeps,” dacht ik.

Zijn buurvrouw (ze leek een vrouwtje) zei dat hij niet moest zeuren. Ze begon een deuntje. Drie anderen vielen in, en dan nog drie. De tweede van links flapperde even met zijn linkervleugel en vertrok. De anderen volgden. Ze fladderden wat over de tuin; vier kozen voor de tuin van de buren en de zes resterende mussen namen een pauze op de achterste hoge tuinmuur.

Volgens mij was het weer diezelfde tweede van links die eerst nog eens met zijn linkervleugel flapperde en dan dadelijk vrolijk begon te fluiten.

ZWART OF ROOD

Hij: ‘Toch liever die rode.’
Zij: ‘Ik vind dat we te voet moeten gaan.’
Hij: ‘Of die zwarte met de open rug.’
Zij: ‘Ik ben benieuwd.’
Hij: ‘Morgen nemen we de voortuin onderhanden.’
Zij: ‘Zal Maya er zijn? Met haar nieuwe vriend?’
Hij: ‘Best beginnen met de hortensia’s. En dan de vijgenboom.’
Zij: ‘De rode.’
Hij: ‘Ik wil nog snel naar het tuincentrum.’
Zij: ‘Toch maar de zwarte.’
Hij: ‘Waar zijn mijn autosleutel?’
Zij: ‘En Annelies?’
Hij: ‘In jouw handtas. Waar is jouw handtas?’
Zij: ‘Ik vraag me echt af hoe het met haar gaat. Woont ze nog in dat appartement? En haar job?’
Hij: ‘Het kan ook morgen. Ze zijn ’s ochtends open.’
Zij: ‘Goh, die panty’s.’
Hij: ‘Oei, het is al kwart over.’
Zij: ‘Ik moet dit oplossen.’
Hij: ‘Ik zet de auto vooraan.’
Zij: ‘Maar we zouden toch te voet?’
Hij: ‘Gevonden.’
Zij: ‘Ja ja, ik kom. Vijf minuten.’

(testing; uitgelichte afbeelding, gegenereerd door WordPress AI – kan dienen als ‘achtergrond’ maar slaat toch de bal mis.)

SCROLLIN’

Ja, U.
U leest hier.
Welkom.
U leest vijf seconden, of tien, of vijftien. Dan klik klik en U bent weer weg. U leest elders, klikt, scrolt, scrolt, klikt, leest, klikt, scrolt, scrolt. Vele minuten, nog meer minuten, urenlang.

Helaas, U scrolt en kijkt te veel.
Uw schermen staan in Uw gezicht gebrand.
U scrolt, kijkt weer ergens anders, het vijfde of zesde filmpje van de dag, een tweede, een veertiende. U glimlacht of fronst, U proest het uit en stuurt het naar Uw zoon, naar uw dochter en/of naar uw buur.
En voort.
Scrollen, klikken, kijken, kijken, klikken, scrollen, scrollen.

Uw gezicht werd ondertussen erg vervormd.

U krabt zich in de haren, beseft dat U even moet bewegen, kijkt toch nog twee filmpjes.

U staat op en loopt wat door de gang.
Tijd voor een koffie.
Aha, de fijne collega van de marketingafdeling. Of ze dat artikel las? Want U wil graag wat ernst uitstralen. En kennis. En dan toch wat humor, dat ene filmpje, nietwaar. U toont het haar. Ze glimlacht maar moet helaas dringend terug naar de afdeling.

Uw gezicht vervormt nog meer.
De koffiemachine zegt hardop ‘You want another coffee?’ U duwt op het goeie knopje. De koffie loopt.

U wacht,  U kijkt op Uw telefoon, scrolt, klikt, leest, kijkt, proest het uit en kijkt nog eens en nog eens.

Uw koffie.

Uw gezicht is verbrand, Uw gezicht is vervormd, Uw ogen weerspiegelen de beelden en filmpjes van de dag.

U loopt naar uw werkplek, stoot Uw knie, Uw beker koffie valt. U kijkt naar Uw telefoon, het laatste filmpje staat nog op het scherm, U zucht, jaja U zult dit zelf opruimen maar die andere lieve collega dept reeds de gemorste koffie. U loopt voort naar Uw werkplek, neemt de draad van de laatste feed weer op en bekijkt nog drie filmpjes. Dan stuurt U een goeie mop naar die beide lieve collega’s en ha ja ook nog naar enkele vrienden.

Uw gezicht
——————————————————————————————————

Francis Bacon. Three Studies for a Self-Portrait (1969)

MARCEL ZEGT

Marcel zegt:
‘Ginder boven zit een Grote Meneer (of Madam) en die kijkt toe hoe miljarden onderdanen collectief richting de afgrond schuifelen. Millimeter per millimeter, that is. Meestal is het een of twee millimeter per dag, maar sommige dagen zelfs tot een centimeter.
Ik vraag me af of die Grote Meneer (of Madam) zich dan dagelijks in de handen wrijft, of of Hij (of Zij) stilletjes zit te grinniken. Of een weddenschap heeft afgesloten met, tja, met wie?’

Marcel zegt:
‘Die Grote Meneer (Ik zal Hem ‘Meneer’ blijven noemen, dat is uit gemakzucht en omdat de kans dat het een meneer is exact 89.23% groot is) vindt dat hij de onderdanen wat moet helpen. Hij neemt een lange aanwijsstok en port hen in de goeie richting.’

Marcel zegt:
‘En Meneer zit ginds boven weer te grinniken. Misschien geeft hij, na afloop, een feest, omdat er eindelijk wat plaats werd gemaakt. Een paar miljard mensen minder, dat is immers een feest waard. Meneer neemt zijn lange aanwijsstok weer vast en port. Vandaag schuifelt die enorme horde maar liefst 16 millimeter verder. Een absoluut record. Trouwens, wie zou er op het feest uitgenodigd worden?’

Marcel zegt:
‘Ik weet niet wie de genodigden zijn. Andere Grote Meneren of Madammen? Maar ik wil er niet bij stilstaan.’

Marcel zegt:
‘Hoe ver? Het is welgeteld nog 535,23 meter tot de afgrond. Reken maar uit, je kunt de gemiddelde snelheid schatten en zo bereken je het aantal dagen dat nog nodig is om de afgrond te bereiken. Te moeilijk? Ha ha. Gebruik de rekenmachine van je telefoon. Of laat die hersencellen wat harder werken. Ze slapen.’

Marcel zegt: ‘4 millimeter gisteren. Eergisteren 7.’

Marcel zegt:
‘Annelies hoort niet bij die miljarden onderdanen. Annelies huppelt door haar leven. Schuifelen? Neen, dat doet ze niet. Misschien zal ik er later wat meer over vertellen. Over Annelies. Nu niet.’

Marcel zegt:
‘Nog 527,38 meter.’

VAN MIJ NIET VAN MIJ

Ik had hem gevonden en beschouwde hem als mijn eigendom. We schoten dadelijk goed op, konden vlot communiceren en slaagden er makkelijk in om elkaars ernst met een kwinkslag te relativeren. Ik voelde me goed bij hem. Ik was blij met mijn vondst en hij was van mij. Het feit dat ik hem had gestolen vergat ik.
Immers, alles klopte en ging de hele tijd vanzelf. Onze vriendschap was er een uit de duizend, ze was een evidentie, een gelukkig toeval. Van diefstal kon geen sprake zijn. We praatten en lachten en ik genoot.

Op een dag was hij weg. Verdwenen. Ik treurde wat, herinnerde mezelf eraan dat ik hem had gestolen. Ik dacht met plezier terug aan de mooie dagen en legde me neer bij de leegte.

Weken later las ik in de krant dat ze hem op het strand hadden gevonden. Dood. Verdronken en aangespoeld. Mijn reus, zijn immens grote lichaam, op het strand van Oostende. Grote, vette letters in de krant. Een reus als curiosum, te veel confronterende foto’s van mijn dode vriend. Foto’s van mensen die op zijn armen, benen, torso en hoofd klauterden. Die selfies en zelfs groepsfoto’s maakten. Die met hun gsm-licht in zijn neusgaten schenen. Die vuurtje stookten in zijn navel of van teen naar teen hopten. Die zijn dijen als glijbaan gebruikten. De foto’s deden me pijn aan de ogen.

Nog een paar dagen later stond hij opnieuw in de krant. Dat mensen hem als het ware ontmantelden. Een geamputeerde hand en voet. Anderen beschreven de plannen die ze met hem hadden. Ze wilden zijn ribben gebruiken als ornament. Ze wilden zijn schedel in een museum  tentoonstellen.

Het deed zeer, veel zeer. Mijn reus, mijn vriend. Dood. Ontmanteld, ontmenselijkt. Hij was van mij. Hij was niet van mij.

DEINING

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee

Het land

De zee
De zee

De zee
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Een hoge golf

Het land
Hoge golven hoge golven veel hoge golven
Het land
Een hoge golf
Een hoge golf
Het land

De zee

Het land

De zee

De zee

De zee