BOEK

Zijn naam is Boek.
Hij wacht.
Hij wacht.
Er gaat een dag voorbij.
Er gaat een nacht voorbij.
Er gaat nog een dag voorbij.
Bij het begin van de volgende nacht slaakt Boek een diepe zucht.
Niks.
Hij slaakt een nog diepere zucht.
Weer niks.
En nog een zucht.
Aha, er klinkt gestommel.
De deur van Boeks kamer gaat open, iemand knipt het licht aan, die iemand kijkt even rond en knipt het licht weer uit.
‘Weer niet,’ denkt Boek.
De volgende avond is hij het wachten meer dan beu. Hij begint dan maar zelf en leest zijn titel en achterflap. Hij kijkt eens naar zijn aantal bladzijden.
‘Ik ben niet te dik,’ denkt hij.
Hij bladert naar het begin.
Hij leest.

HET IS OPEN

Een kind
De natuur
Een cirkel
Een open einde
Een dag een nacht
Een leven
Een wolk
Drie handen
Een lang verhaal
Een regenbui
Een kort verhaal
Een ochtend
Een oog
Een zucht
Een droom
Een boek
Een bos
Een zachte wang
Een rechte rug
Een lepel in een kop koffie
Een ding, dat ding

Ze recht haar rug – nogmaals – en roert even in de koffie. Amper suiker. Zoet genoeg? Ze nipt, zet de kop koffie terug neer, die zal wel weer koud worden.
Ze sluit de ogen en overloopt de lijst.
‘Ja, een zucht, een diepe,’ denkt ze.
Ze droomt weg naar het bos, naar de rand van de bos en het smalle pad, naar de zitbank, naar het uitzicht over de aanpalende weide.
‘Ja, een leven, een goed leven,’ denkt ze.
Ze schrijft een kort verhaal. Het doet haar aan het volgende denken. Ze glimlacht.
‘Misschien moet ik er wat humor insteken. Lichte humor. Bijna onzichtbare.’
Ze schrijft het volgende.
Ze recht haar rug en hoort dat het regent.
Ze gaat naar buiten.

TOT DE NACHT, DAN

’t Is een geluk dat ze geen regen voorspellen
Dan zullen de bloemen
De krokussen, de narcissen

’t Is een geluk dat de zon
Dan kunnen de oleanders
En de weidemargrieten

’t Is zelfs een geluk dat de wolken
In vreemde formaties
En kleuren

En de fluitende vogels
De zwaluwen in hun snelle vlucht
Tot de vleermuizen, laat op de avond
Tot de nacht, dan

Opgedragen aan Matti Brouns. Hij overleed op 11/12/2023. Hij was een vriend. Plots bleek hij sneller dan het licht. Hij zal altijd blijven.

Matti, aka Martin Pulaski van Hoochiekoochie, volgde mijn ANDEREWOORDEN-blog van in het begin. De pre-facebookjaren. De skynet-jaren. Zonder hem zouden mijn blog mijn blog en mijn woorden mijn woorden niet zijn.
Veel sterkte aan zijn echtgenote Agnes, zijn zoon Jesse en aan zijn familie en vrienden.

CARVER 2 – MET DE GROTE GLAZEN ASBAK

Hij zei Misschien moeten we het anders aanpakken. Eens gaan fietsen. Naar
Zij zei Ben je gek? Jij, fietsen? Jij en ik samen fietsen? Jij houdt dat niet eens een kilometer vol.
Hij zei Naar Bornem of misschien naar Temse. Binnendoor. Stoppen in Sint-Amands en langs de Schelde wandelen. Je kunt daar een bruiswater met pompel
Zij lachte Je meent het.
Hij zei niks.
Zij herhaalde Je meent het. Denk je nu echt dat ik na gisteren
Hij kuchte.
Zij zei Ik ga niet mee. En ik kom je niet redden als je tegen de vlakte
Hij zei Je moet mee. We kunnen praten.
Zij lachte nog luider Praten? Denk je dat ik nog met jou wil praten? En over wat? Over ons? Tssss. Wij zijn verzopen. Letterlijk. Wij liggen in de modderpoel. Jij spartelt nog wat omdat je het nog niet doorhebt.
Hij slikte Maar
Zij zei Je moet niks zeggen. Ik ben het zat. Spuugzat. Ik pak vandaag mijn valiezen. Ze komen me halen
Hij vroeg Wie?
Zij zei Om elf uur. Het zijn jouw zaken niet.
Hij vroeg Wie?
Zij zei Hou je mond.
Hij gooide.

CARVER

Hij zei Ik lees Carver want daar kan ik een en ander van jou in herkennen.
Zij zei Maar ik heb je de eerste Carver cadeau gedaan net omdat jij jezelf in die verhalen zou herkennen.
Hij zei Maar ik zie jou.
Zij zei Maar ik zie jou.
Hij zei Net zoals in dat bruinbeige boek ging jij ook ergens in een wildvreemd huis iets leveren en je ging op de sofa zitten en je dronk gezellig een kopje koffie met die man en zo voort, vooral En zo voort.
Zij zei En jij drinkt tot je erbij neervalt en je bent te koppig en je hebt al jarenlang ruzie met de buurman.
Hij zei Ja en jij doet alsof ik er niet ben.
Zij zei En jij hebt onze meubels vorige maand allemaal buitengezet en je verkocht onze mooie tafel voor tien euro!
Hij zei Het was jouw tafel!
Zij zei En nu zitten we zonder! Nu moeten we eten met ons bord op schoot! Het bestek klettert iedere dag op de grond. En jouw broeken zitten vol vetvlekken.
Hij zei Ja en over jouw stokstijve sokken zullen we maar zwijgen? En over de groezelige lakens?
Zij zei Zullen we het zo spelen? Wat lelijker? Zal ik ook
Hij Genoeg. Ik kruip terug in mijn Carver.
Zij Ik scheur hem in stukken.
Hij Ik heb hem van jou gekregen.
Zij Ja daar heb ik dik spijt van ik scheur hem straks echt in stukken en die andere twee ook.
Hij Ik sla je ermee op het hoofd.
Zij Dan bel ik de politie.
Hij Dan zal ik jouw persoonlijke vieze boekje eens helemaal opendoen.
Zij Bel dan ook maar dadelijk de ambulance.
Hij En zo voort. Trut. Ik zoek mijn Carver.
[Stilte. Zij gaat naar buiten. Komt terug binnen. Ze gooit.]

EEN GLIMP OF

terwijl. het grage. zien. niet meer of. niet. minder is. dan. een. lichtstraal. op een blad. of het rode avondlicht. op de bomen. van het bos van. Poe.
terwijl. het grage zien. eenvoudig is. zoals de glinsterende Oosterschelde. of zoals. het wiegen. van de weidemargrieten. op het ritme. van de zachtste wind.

zoals het grage zien. niet. meer of niet minder. is. dan het zwaluwpaar. dat de. jongen. leert vliegen. en het kwetteren van plezier. tijdens hun. vluchten.
of dan de hond. die zich gelukzalig. heen en weer kronkelt in de zon. en. dan plots rechtstaat. en de schaduw zoekt of. loom. naar zijn drinkbak. wandelt.

het kan ook. een hand. in een. hand zijn of. een opgeslagen. blik – de blauwe. of groene of. bruine. ogen. met in zich. de schakeringen van al, van het al.
of het zien. van de schittering van het. zonlicht. dat die ogen. even. verblindt. of. de hand. die zich lostrekt. en. een seconde. of een. uur of vele. dagen later. plots. terug is, en. zacht.

terwijl het grage. zien. niet meer. of niet. minder is dan. hier en daar. een glimp. op een. lach. of. een traan. of op een hand. op een. schouder, even nog. even.
zo kijkt hij. en zucht hij. onhoorbaar. en voelt hij. diep. binnenin. tot. helemaal. in. zijn. keel.
het grage zien. niet meer of. niet. minder. de hand. en. de. lach en. de. traan en. het leven. of de. stilte. het al. in het al. tot dieper. dan. diep. binnenin.

ZEVENENTWINTIG ZESENDERTIG

Ze kon niet slapen.
‘Ik moet en ik zal, het is morgen vroeg dag,’ dacht ze.
De ademhalingsoefeningen werkten niet. Ze bleef klaarwakker, vervloekte de nazinderende adrenaline. Misschien moest ze tellen?
‘Een, twee, een, twee, een, twee,’ maar ook dat hielp niks.
‘Ik moet. Ik heb mijn nachtrust nodig. Vermenigvuldigen, misschien? Moeilijker dan die van twee of van drie? Zodat ik me moet focussen? Die van zeven? Focus? Zeven, veertien, eenentwintig, achtentwintig, vijfendertig, tweeënveertig, negenenveertig, zesenvijftig, pfff. Die van acht dan maar? Acht, zestien, vierentwintig, tweeëndertig, veertig, achtenveertig, zesenvijftig, vierenzestig, tweeënzeventig. Of nee, die van negen dan maar, met eenentachtig en de verspringende cijfers, zevenentwintig, zesendertig, vierenvijftig, drieënzestig en twee plus zeven ‘

De volgende ochtend werd ze nog vroeger dan anders uit haar bed gehaald.
‘Ik wil eerst een kop koffie en een douche, maar dan kom ik,’ zei ze.
Even later startte ze de auto en dacht ze aan de vermenigvuldigingen.
‘Huh huh de tafels hebben geholpen,’ wist ze.
Het was niet ver. Alle parkeerplaatsen waren nog leeg.
Ze belde het nummer, een paar minuten later liet iemand haar binnen.
‘U mag hier wachten, mevrouw.’
Ze wachtte. Lang, langer.
‘Drie grote ficussen, amai. En hun potgrond ziet er nat uit, te nat misschien?’ dacht ze. Die andere plant kende ze niet. Ze nam een folder uit het rek en probeerde te lezen maar de letters en foto’s dansten. Ze hield de folder vast en ijsbeerde.
‘Het is hier fris, maar het is nog vroeg,’ zei ze.
Ook de stoelen voelden koud. Ze ging toch maar zitten, hield haar rug recht, zette de voeten netjes naast elkaar.
‘U wordt gefilmd,’ wist ze.
Het duurde echt te lang.
‘Vier, zes, acht, twaalf, zestien,’ ze telde de vloertegels in groepjes van vier, nog eens, begon opnieuw maar dan anders, helemaal links, en ze lette er op dat de volgende groep van vier tegels begon onder haar voeten. Vandaar naar rechts. Enkel volledige tegels mochten geteld worden.
‘Vier, zes, acht, twaalf, zestien, twintig, vierentwintig, achtentwintig, tweeëndertig’
Het licht achter de balie floepte aan.
‘Volgende keer doe ik de tafel van twaalf. Of die van dertien? Of veertien? Of van honderddrieëndertig?’ dacht ze nog.

ZWARE REGENBOGEN

Vroeger kon ze dat. Ze kon een ganse regenboog op haar hand dragen. Helemaal.

HELEMAAL, zei ze.

Regenbogen waren toen nog heel luchtig.

JA ERG LUCHTIG, zuchtte ze.

Maar nu? Nu hangt er altijd ikweetnietwatallemaal aan die regenbogen.

IKWEETNIETWATALLEMAALVANALLESENNOGWAT, zei ze.

Bommen en granaten.

GANSE OORLOGEN

Slogans van multinationals.

JAJA COCA-COLA EN CAMPINA EN BMW ENZOVOORT, riep ze.

In alle kleuren, kleuren feller dan die van de regenbogen.

JAJA EN FLUO. GEEL! ROZE!

Ook cijfers. Statistieken, resultaten, beursnoteringen van miljoenen bedrijven.

INDERDAAD, OVER AL HUN MILJARDEN, zei ze.

En schermen. Er hangen zo veel televisieschermen en tablets aan de regenbogen.

TSSSSS EN TELEFOONS EN FILMPJES

Bovendien: mensen. Ook zij hangen. Hun ego’s bungelen in blinkende kleding.

PFFF DE ALLERGROOTSTE EN ZE KLINGEN EN KLANGEN EN SCHITTEREN VOOR EEUWIG, DENKEN ZE

Het is verleden tijd.
Door al dat gewicht draagt ze niet langer regenbogen. Er is geen beginnen meer aan. Haar spieren…

HET IS DE LEEFTIJD, MISSCHIEN, HAHAHA

Haar spieren konden die enorme gewichten niet aan.

IK BEN SIMSON NIET HE ZEG, zei ze.

Ze legde zich erbij neer. Soms zag ze nog het ontstaan van een regenboog, maar sloot dan direct de ogen.

IK WIL HET NIET MEER ZIEN. IK WIL HET NIET MEER PROBEREN, fluisterde ze.

Tot een ochtend… Aan haar rechterzijde verscheen een mini-exemplaar van een regenboog. Ze was pas wakker en kon niet weerstaan. Ze bleef kijken en ze… yes.

Tot op vandaag staat hij op haar hand. Hij is piepklein en bijna onzichtbaar. Soms legt ze er een zakdoek over, zodat niemand hem zou opmerken.

IK MOET HEM BEWAKEN EN BEWAREN, zegt ze. HET IS DE MIJNE. NIKS OF NIEMAND ZAL ER AANHANGEN. IK ZET HEM ZO VAAK MOGELIJK BUITEN, HIER THUIS, IN MIJN TUIN. HIER OP MIJN HAND EN DAAR BUITEN IN MIJN TUIN, DAAR IS HIJ VEILIG.

DANCING QUEEN (3/3)

Waar had ik die lieslaarzen ook weer gezien? Gelukkig vond ik ze dadelijk, trok ze aan en ging terug.
Drek, drek en drek.
Letterlijk. Ik ploeterde me erdoor, de stank was niet te harden maar ik was al blij met de laarzen. Alhoewel, ‘blij’ is in deze context echt geen goed woord.
De viezigheid uit de riolen… Daar dreven er. En ginder ook nog. De vuiligheid kwam tot aan mijn dijen. Hoever zou ik zo nog moeten waden? Honderd meter? Een kilometer? Tot voorbij de grens van het dorp? Maar ik was vastberaden.
Uit een van de speakers klonk alweer een generaal-bericht. Dat we het foute nieuws niet moesten geloven. Dat zij gelijk hadden. Dat we de bewijzen overal konden zien.
Jaja! Ik barstte in lachen uit. Zie! De stront! Zie mij hier, in hun grootste bewijs!
Ik hield mijn handen veilig omhoog zodat ze niet vol met de drabbige vuiligheid kwamen te zitten.
De speakers dreunden voort. Dat het voor onze bestwil was, dat het leven duizend keer beter dan vroeger zou worden, dat de groene weiden en blauwe luchten
‘Jaja!’ dacht ik weer. Ik wou niet meer luisteren, vond deze vaalbruine expeditie een goeie training voor mijn beenspieren en mijn uithoudingsvermogen en begon luidkeels Dancing Queen van Abba te zingen.

IN DE GEDROCHTEN (2/3)

Hier lig ik.
Honger heb ik, en dorst.
Ik ben uitgemergeld.
Ik zie niks, hoor amper, voel niks, weet niks.
De betekenis van het woord ‘lachen’ is me ondertussen vreemd.
Spieren heb ik niet meer, mijn haren zijn lang en broos, mijn huid breekbaar droog.
Zolang ik nog tanden heb bijt ik mijn vingernagels kort.
Mijn teennagels brokkelen af.
Ver boven mij hoor ik het geraas van de auto’s, het gedaver van de metro en het gorgelen van het enorme rioolnetwerk.
Deze geluiden bonken in koor, of  wisselen af.
Meer dan dat hoor ik niet.
Geen stem, geen zang, geen radio, geen mens.
De grote afwezige is licht. Wat is dat, licht?
Waar is het blauwe van de lucht, het groene van het gras?
Waar?
Maar.
Mogelijk zijn mijn haren niet grijs, noch mijn huid.
En mogelijk ben ik nog mooi. Of niet.
Maar ben ik nog?
Wat?
Wie?