WEEFGETOUW. OF STOPNAALD

Ik weef licht en donker, zei hij.

Of wit en zwart.

Of vice versa.

Dat kan met de hulp van een haaknaald.
Of stopnaald.
Of breinaald.
Of mijn vingers.

Soms zit ik twaalf uur aan een stuk te weven. Heel soms zelfs vierentwintig uur.

Niet goed voor mijn rug, inderdaad.

Maar ik sta om het uur even op. Ik stretch. Ik ga een kop koffie of een glas water halen. Ik kijk naar de bomen. Adem. Doe weer voort.

Sommige van de stofrepen zijn glanzend. De andere zijn eerder dof. Het kan me niet schelen. Of toch wel. Ik hou meer van de glanzende. Omdat dáár het licht, zie je. Het buitenlicht. Als de zon schijnt.

Zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit

Urenlang, dagenlang, maandenlang, jaren

Donker, licht, donker, licht, donker, licht


En ja, ze komen kijken.

Ze stellen vragen.

‘Het licht,’ zeg ik dan.

Of

‘De nacht.’

Ondertussen doe ik voort. Voort. Voort

Het moet.

Zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit, zwart, wit

Donker, licht, donker, licht, donker, licht


IMMER

Ik heb het u gezegd
Dat zwart zwart is
Donker donker
De nacht de nacht
En dat ze dienen om licht
Te belichten
Het zwart kan niet zonder
En het moet
En zal zijn
Immer

Dat het het liefste
Overschaduwt
En plots dan toch weer
Een flits
Een streep
Dat licht op zwart
En licht op donker
En licht in de nacht
Een sprankel  

SCHAT

‘Schat? Waar ben je?’

Hij zat verstopt achter stapels dozen en was ijverig bezig in de onderste kasten, waar hij bundels documenten uit hun klasseermappen haalde.

‘Verdorie, die zijn te recent… aaargh, die moet ik nog een jaar bijhouden,’ hoorde ze hem mompelen.

‘Schat?’ vroeg ze nu wat luider.

‘Ja, lieveling?’ klonk het.

‘Schat, ik heb dat niet verdiend.’

Hij kwam moeizaam overeind. Zijn knieën en beenspieren protesteerden.
‘Wat niet verdiend?’ vroeg hij.

Ze zwaaide met haar telefoon en hield hem de foto voor.
‘Dit! Deze villa!’

Zijn gezicht klaarde op.
‘Jawel hoor, dat heb je wél verdiend. Over een maand verhuizen we naar een fantastische woning, midden in de bossen. Geen buren in de nabije omgeving. Ik stuur je straks nog wat foto’s — ook van het mooie dorp, drie kilometer verderop. We kunnen er te voet heen, binnendoor, langs de kleine wegeltjes. Het is alsof je over de heuvels loopt. We kunnen het hele eind rustig wandelen, daar komt geen mens.’

Ze kreeg tranen in de ogen. Ze wilde niet. Ze woonden hier goed — ruim genoeg, met een grote tuin, en vlakbij haar ouders, broers en zus.

‘Maar zo veel plaats hebben we toch niet nodig? Het zwembad vind ik heel fijn natuurlijk, maar ik kan toch bij mijn zus gaan zwemmen? Ik verdien dit echt niet, hoor. Het moet ontzettend duur geweest zijn.’

‘Graag gedaan, lieveling. Jij verdient dat dubbel en dik. Je zorgt zo goed voor mij. Ik wil je mijn dankbaarheid tonen — je eindeloos verwennen.’

Hij verdween weer achter de archiefdozen.
‘Ik moet echt voortdoen,’ riep hij. ‘Ik wil die oude documenten wegbrengen. Ik denk dat ik een bestelwagen moet huren. Ik wist niet dat hier zó veel papier lag. Al die jaren mogen eindelijk vernietigd worden. Ik stuur je straks de andere foto’s.’

Nathalie bleef nog even staan. Ze hoorde hoe hij weer tussen de mappen aan het rommelen was. Dan liep ze naar de keuken, leunde met beide handen op het aanrecht, veegde haar tranen weg, keek opnieuw naar haar telefoon en liep naar buiten om haar zus te bellen.

‘Anja… Anja, je gelooft het niet! Ik weet niet wat ik moet doen. We gaan verhuizen — en ik wil niet. Hij wil me bij jullie weghalen, honderdtwintig kilometer verder gaan wonen, in de Ardennen… in het bos. Ik wil niet, Anja!’