IEMAND GAF ZE WATER, IEMAND.

Het zijn de gewone dingen (zeg maar 1 van 1001)

In het woonzorgcentrum:

Dag 1. Een man schuifelt voorovergebogen.
Dag 2. De man schuifelt nog meer voorovergebogen.
Dag 3. De man buigt erg diep, zijn handen raken de grond, hij schuifelt, zijn armen wiebelen en zijn vingers schuifelen mee op de cadans van zijn voeten.

Een dag. Een vrouw snikt met korte halen. Ze hoort mij komen, werpt haar blik naar opzij en ziet me. Ze kent me niet maar gooit nu ook haar armen opzij, in mijn richting, en reikt naar mij, in een onnatuurlijke pose. De korte snikken werden lange, schrille ademstoten.
Een volgende dag. Ze blijft naar me reiken.
Een volgende dag. Ze blijft naar me reiken.
Een volgende dag. Ze blijft naar me reiken.

Dag 1. Een vrouw zegt dat zij zich van straat vergiste.
Dag 2. De vrouw zegt dat zij zich van straat vergiste.
Dag 3. De vrouw zegt dat zij zich van straat vergiste.
Dag 4. De vrouw zegt dat zij zich van straat vergiste.
Dag 5. De vrouw zegt dat zij zich van straat vergiste. Iemand van het personeel neemt haar bij de arm en leidt haar een kamer binnen. Ik hoor de vrouw nog zeggen dat ze de weg kwijt is, maar dat ze de kamer herkent en dat dit is waar ze wou zijn.

Ze kijken televisie.
Ze kijken televisie.
Ze kijken televisie.
Ze kijken televisie.

Ze zullen de brouwerij bezoeken.
Ze reizen naar Planckendael.

Hun haren werden gewassen.
Hun haren werden niet gewassen.
Hun haren werden niet gewassen.
Hun haren werden niet gewassen.

Ze zegt: ‘Hier kwamen we nog kampernoelies trekken, helemaal te voet, dat was ver hoor, en hier kwamen we melk halen en daar stond ook een grote boerderij.’
Ze zegt ook: ‘Waar ben ik, wat doe ik hier, ik wou hier nooit zijn, hij wist dat, waarom ben ik hier dan? Ik had nooit een band met deze gemeente, ze is mij vreemd, ik ken dat hier niet, ik ben niet van hier, wat doe ik hier, waar ben ik?’

Dag 1. Er staan ook boeken. Zou iemand?
Dag 2. De boeken staan er.
Dag 3. De boeken staan er.
Dag 4. De boeken staan er.
Dag 5. Dezelfde boeken staan er. Ze blijven compleet, ze blijven staan, ze werden niet aangeraakt, ze werden niet aangeraakt.

Buiten staan bloemen.
Buiten staan bloemen, ze verdrogen.
Buiten staan bloemen, ze kregen water.

Dag 1. Een vrouw zit dronken in de cafetaria.
Dag 2. Een vrouw zit dronken in de cafetaria.
Dag 3. Een vrouw zit dronken in de cafetaria.
Dag 4. Een vrouw zit dronken in de cafetaria.

Dag 1. Er ligt een vreemde man op haar bed. Hij was verloren gelopen.
Dag 2. Haar kamer is op slot.
Dag 3. Er ligt een vreemde man op haar bed. Hij was verloren gelopen.
Dag 4. Haar kamer is op slot.
Dag 5. Er ligt een vreemde man op haar bed. Hij was verloren gelopen. Ik maak hem wakker, hij klopt wild met zijn armen en scheldt me uit voor al het slechte. Hij was verloren gelopen, weet ik.

Het zijn de gewone dingen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.